‘Maar terwijl de keizer heen en weer vloog en opdook waar de strijd in de voorhoede het hevigst was, deden onze lichtbewapende troepen een snelle uitval. [...] Opeens schampte, niemand weet waarvandaan, een ruiterspeer de huid van zijn arm, drong door tussen zijn ribben en bleef steken in de onderste lob van zijn lever.’ Oftewel: lees op de website van Athenaeum Boekhandel vast een fragment uit Julianus, de laatste heidense keizer. Nadagen van een wereldrijk van Ammianus Marcellinus, in de nieuwe vertaling van Daan den Hengst.
Julianus, de laatste heidense keizer. Nadagen van een wereldrijk
Ammianus Marcellinus
Vertaling Daan den Hengst
Athenaeum-Polak & Van Gennep
ISBN 9789025370466
€ 39,95
Bestel Julianus, de laatste heidense keizer. Nadagen van een wereldrijk via deze link op Bol.com
*Dit is een aflevering in de wekelijkse serie ‘Straatverhalen van Rome’.*
‘Degrado e abbondono’ (aftakeling en verlating), ‘terra di nessuno’ (niemandsland): de Italiaanse krant Corriere della Sera liegt er niet om. In een artikel van maart van dit jaar concludeert een journalist dat er van de goede bedoelingen – een wandelgebied creëren, de ‘groene zone’ rond Augustus’ mausoleum herinrichten – voor Piazza Augusto Imperatore in het centrum van Rome weinig terecht is gekomen. Uitstel, geen afstel, zeggen de autoriteiten. Maar de voorziene kosten van ongeveer 17 miljoen euro in combinatie met de nog altijd toenemende economische crisis lijken nu toch vooral op dat laatste te wijzen.

Het mausoleum van Augustus op Piazza Augusto Imperatore. Foto: Wikimedia
Een vierkant plein
Misschien ben je er wel eens geweest; het wat vreemde, vierkante plein dat ingeklemd ligt tussen de Tiber en de drukke Via del Corso. In dat geval zul je waarschijnlijk denken dat het niet meer dan terecht is dat men niet nog eens 17 miljoen investeert in dit nogal onooglijke plein, met in het midden een verwaarloosde ruïne als bedorven kers op een ingestorte taart. Zoals altijd zit ware schoonheid echter van binnen. Om een eerlijk oordeel te kunnen vormen over de herstructureringsplannen, staat in de serie Straatverhalen van Rome vandaag Piazza Augusto Imperatore centraal – het Plein van Augustus de Imperator.
Bevrijd de monumenten!
Het is 21 April, 1924. Benito Mussolini spreekt op het Campidoglio-plein over ‘de problemen van Rome’. De grandeur van het antieke Rome moest weer zichtbaar worden door middel van de liberazione (bevrijding) van de monumenten uit de oudheid. Zo groots was het nieuwe Italië van Mussolini dat de hoofdstad in ere hersteld moest worden. De parallel met de macht van het oude Rome moest letterlijk zichtbaar zijn in de straten van de stad; de belangrijkste monumenten uit die tijd moesten daartoe worden ontdaan van ‘latere toevoegingen’ zodat ze ‘opnieuw onthuld’ werden. Want, zo meende Mussolini, voor het eerst sinds Augustus was Italië weer zo groot als het oude Rome. Natuurlijk koos hij daarbij precies die elementen uit de geschiedenis van Italië die het best ingezet konden worden om zijn eigen politiek/ideële boodschap te ondersteunen. De oude stenen van de stad kregen in hun nieuwe verband een nieuwe betekenislaag, die meer inzicht biedt in de sociale, politieke en maatschappelijke processen van Mussolini’s tijd dan in die van de oudheid.

De ‘bevrijding’ van Augustus’ mausoleum en de aanleg van Piazza Augusto Imperatore (1936). Foto: Roma Sparita
Een plein wordt geboren
Mussolini’s ideeën materialiseerden zo in het straatbeeld van Rome. Een van de belangrijkste en meest ingrijpende ‘bevrijdingsprojecten’ was de creatie van Piazza Augusto Imperatore. Waar nu het plein ligt, bevond zich nog geen 100 jaar geleden een dichtbevolkte woonwijk. De wirwar van straten en huizen kon echter niet aan Mussolini’s oog onttrekken dat zich hier een paar van de belangrijkste herinneringen schuilhielden aan zijn grote voorbeeld en inspiratie: keizer Augustus (27 v.Chr. – 14 n.Chr.). Overwoekerd door onkruid en begroeing stond hier, allereerst, Augustus’ laatste rustplaats, zijn mausoleum. Daarnaast: de Ara Pacis (Vredesaltaar), een van de symbolische hoogtepunten van het bouwprogramma van de Romeinse keizer.
Propagandamachine
27 jaar voor het begin van onze jaartelling slaagt Gaius Iulius Caesar Octavianus erin alle macht in Rome naar zich toe te trekken. Om zijn positie verder veilig te stellen – Rome is van oudsher een republiek en wars van despoten en alleenheersers – heeft Augustus een uitgebreide propagandamachine in het leven geroepen. Kunst en cultuur bloeiden op onder zijn bewind, niet alleen omdat er vrede in het rijk was en de welvaart letterlijk vanuit de veroverde gebieden bleef toestromen, maar ook omdat de keizer verschillende kunstvormen gebruikte voor zelfverheerlijking en daarmee een stimulans gaf aan de ontwikkeling ervan. Beroemd is de uitspraak van Suetonius dat Augustus ‘Een stad van baksteen aantrof, en er een van marmer achterliet’. Het uitgebreide bouwprogramma voor Rome droeg bij aan de propaganda van de keizer.

De locatie van Augustus’ mausoleum in het oude Rome (rode stip). Foto: Wikimedia
Na enkele militaire overwinningen in Gallië en Spanje keerde Augustus terug naar Rome. Hij had de rust in het hele rijk hersteld, wat zijn populariteit bij rijk en arm vergrootte. Daarom was het een slimme zet de door hem gebrachte vrede, de Pax Romana, zoveel mogelijk te gebruiken in zijn propaganda. Ter ere van de vrede liet hij de Ara Pacis (letterlijk: Altaar van de Vrede) bouwen. Het altaar, ingewijd in 9 v.Chr., zou een lofzang worden op de vrede en welvaart die Augustus het Romeinse rijk had gebracht. Deze boodschap werd verhuld in prachtige symbolische en mythologische reliëfs, die alle zijden van het altaar sierden.
De Ara Pacis stond niet op zichzelf. Het maakte deel uit van een groter bouwproject, dat Augustus op deze plek realiseerde. Hij liet hier ook zijn mausoleum, zijn eigen grafmonument, neerzetten en gaf opdracht tot de bouw van een zogenaamd horologium: een soort reusachtige klok in de vorm van een lange hoge obelisk. De tijdmeting gebeurde aan de hand van de schaduw van die pilaar, die als de wijzer van een klok over de omgeving viel.
9 blokken marmer
Augustus’ monumenten raakten in de eeuwen na de oudheid in de vergetelheid. Maar dan koopt een zekere kardinaal Giovanni Ricci uit Montepulciano – we zijn inmiddels in de 16de eeuw beland – negen blokken marmer op. Wat hij op dat moment niet wist, was dat zijn marmerblokken afkomstig waren van het vredesaltaar van keizer Augustus. Giovanni heeft nooit van zijn ‘vondst’ geweten: het zou nog eeuwen duren voordat de herkomst aan het licht kwam.
In 1859 kwamen, bij werkzaamheden in het Palazzo Peretti in Rome, fundamenten van het vredesaltaar aan het licht. Talloze fragmenten werden opgegraven en vonden direct een weg naar privéverzamelingen en musea over de hele wereld. Sommige delen werden verkocht aan de Galleria degli Uffizzi in Florence, andere aan het Louvre in Parijs. Pas in 1903 zouden alle brokstukken definitief herkend worden als behorend tot de beroemde Ara Pacis, dankzij de Duitse archeoloog Friedrich Von Duhn.
De fascisten grijpen in
Nu vond ook de Italiaanse overheid het tijd voor een officiële opgraving. Toen men ongeveer de helft van het monument had blootgelegd bleken de omstandigheden van de opgraving toch te complex: men staakte de operatie. Pas onder het fascistische bewind, in 1937, werd besloten, om de hierboven genoemde redenen, om de opgraving weer op te pakken. Maar dan groots.
Mussolini wilde het mausoleum van Augustus in oude glorie herstellen en veegde hiervoor een complete Romeinse stadswijk van de kaart. Ook de Ara Pacis moest opnieuw worden opgebouwd en hier worden geplaatst. Waar is hier? Het gloednieuwe Piazza Augusto Imperatore.
Tussen juni en september 1938 maakte architect Ballio Morpurgo alles gereed om de Ara Pacis opnieuw op te bouwen. Er werd een verhoging aangebracht waar het vredesaltaar op moest komen te staan, en een overdekking in de vorm van een portico moest beschutting bieden tegen regen en wind. Voor de gelegenheid werd de complete tekst van de Res Gestae, een beroemde inscriptie met daarop het publieke ‘testament’ van keizer Augustus, op een muur aangebracht. De (her)inauguratie van het monument werd, om de symboliek mooi af te ronden, gehouden op 23 september, de geboortedag van Augustus.

Morpurgo’s behuizing voor de Ara Pacis. Foto: Conoscere il bello
De rest van het plein werd geconstrueerd rondom het vervallen en door begroeiing overwoekerde mausoleum van Augustus. De galerijen die aan drie zijden rond het plein werden aangelegd, zijn typische voorbeelden van de strenge fascistische architectuur en werden versierd met reliëfs die dezelfde ideologie ondersteunden. Zoals gezegd werden voor het project alle bestaande woningen zonder al te veel scrupules van de kaart geveegd. De twee kerken mochten blijven staan en zijn in de plannen voor Piazza Augusto Imperatore geïntegreerd. Alle inspanningen ten spijt, raakten de monumenten die de glorie van het Rome van Augustus in herinnering moesten brengen, na het fascistische tijdperk ernstig in verval. Piazza Augusto Imperatore werd een verloederde plek, waar je zeker in de avonduren maar beter weg kon blijven. Had Augustus zich in zijn graf om kunnen draaien, dan had hij rondom voornamelijk zicht gehad op zwervers, prostituees en verslaafden. Een weinig keizerlijk uitzicht.
Pax Americana
Halverwege de jaren 90 van de vorige eeuw bleek dat uitlaatgassen en temperatuurstijgingen de Ara Pacis ernstig in gevaar hadden gebracht. In 1995 besloot de gemeente Rome dat het tijd was om de behuizing van de Ara Pacis, Morpurgo’s portico, te vervangen door een fatsoenlijk onderkomen.
Wat uit noodzaak werd geboren, werd een belangrijke en symbolische nieuwe stap in het bouwprogramma van Rome – alweer. De opdracht voor het ontwerp van de nieuwe behuizing ging naar Richard Meier, een beroemd Amerikaans architect.
De toenmalige burgemeester Rutelli, verantwoordelijk voor het project, wist dat de keuze voor een niet-Italiaanse architect met een voorkeur voor moderne, strakke, transparante constructies niet onopgemerkt voorbij zou gaan. Rome wordt toch, als ‘bakermat van de westerse beschaving’, een beetje beschouwd als erfgoed van iedereen. Daar kwam nog bij, dat er sinds Mussolini in het centrum van Rome niet één nieuw gebouw meer was gebouwd. Nu werd het symbool van de Pax Romana onder handen genomen door een vertegenwoordiger van de Pax Americana. Natuurlijk zou er kritiek komen.
Toch staat het ‘benzinestation’ – de weinig flatteuze bijnaam van het nieuwe Ara Pacis Museum – alweer jaren fier overeind. Maar met de plannen voor de rest van Piazza Augusto Imperatore is het, zoals de Corriere della Sera meldde, er bedroevend voor.

Piazza Augusto Imperatore, zoals het er in 2014 uit zou moeten zien. Foto: Urban File
Il grande imperatore
Volgend jaar herinnert Rome de tweeduizendste sterfdag van de keizer die baksteen in marmer veranderde – Augustus stierf op 19 augustus in 14 n.Chr. in het plaatsje Nola. Lilli Garrone, de journalist van de Corriere della Sera, gelooft er niet meer in en schaamt zich nu al voor het beeld dat de wereld voorgeschoteld zal worden – zoals zo vaak gebeurt zal Rome (Italië) volgens imagoschade lijden wanneer de wereld ziet hoe er wordt omgegaan met ‘la tomba del grande imperatore’.
De schaamte voorbij
Garrone representeert, denk ik, een grote groep Italianen wanneer ze spreekt van schaamte op het internationale toneel. Om dat voor te zijn, benadrukt ze maar vast dat ze zichzelf terdege bewust is van de ‘grootsheid’ van het verleden en het belang van de tombe. Daarmee plaatst ze zichzelf midden in het, uiteraard subjectieve, debat dat vooral gericht is op het historische belang van deze plek in Rome. Haar oproep is daarmee echter helaas aan een almaar dalend groepje toehoorders gericht. Helaas, maar ook begrijpelijk – Europa in het algemeen en Italië in het bijzonder maken een geweldige crisis door en alle uitgaven moeten meer dan ooit publiekelijk worden verantwoord.
Wellicht zou het daarom beter zijn als het genoemde ‘internationale toneel’, vanwaar de spelers vooral van comfortabele afstand verwijtend wijzen of honend lachen om wat er allemaal gebeurt in het land dat wij beschouwen als de bakermat van ‘onze’ beschaving, meer nadacht over een constructieve bijdrage aan het debat. Een bijdrage die niet gebukt gaat onder schaamte en lijmpogingen van een gebroken imago. Want misschien is het wel zo dat Piazza Augusto Imperatore in Rome niet van de ondergang gered moet worden vanwege de tombe van een man die het totalitarisme zo wat uitvond. Misschien is het zo dat er in Europa bijna geen enkele plek bestaat waar de loop van duizenden jaren geschiedenis zo nauw verweven is met stadsplanning en stedelijke architectuur. En misschien dat er daarom, filosofisch gezien, over hoe wij mensen leven in en uiting geven aan onze stedelijke omgeving, veel grotere inzichten te behalen vallen op deze plek in ‘ons’ Europa.
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.
Vandaag een straat niet ver verwijderd van de ‘verborgen’ straat van de pausen, die twee weken geleden aan bod kwam: de Via degli Scipioni. Een straat die ons via het Italië van nu meeneemt naar de regio waar we ons al de hele week bevinden: Puglia.

Scipio Africanus Maior
SCIPIO AFRICANUS
‘Fratelli d’Italia, l‘Italia s’è desta. Dell’elmo di Scipio, s’è cinta la testa.’ De helm van Scipio, zo klinkt het nog altijd wanneer het Italiaanse volkslied wordt gezongen. Een strijdlied, waarin wordt opgeroepen het hoofd in te snoeren in de ‘helm van Scipio’, een legendarische held uit de oudheid.
De Scipio’s behoorden tot de gens Cornelia, een van de meest voorname families van de Romeinse republiek (ca. 509-31 v.Chr.), een tijd van militaire missies en eindeloze veroveringstochten. Drie mannelijke leden van de familie in het bijzonder wisten zich meer dan gemiddeld te onderscheiden op het slagveld. Publius Cornelius Scipio I trok in 218 al ten strijde tegen de Carthagers, de Noord-Afrikanen die tot de meest beduchte tegenstanders behoorden die de Romeinen op weg naar wereldhegemonie zouden tegenkomen. Zijn zoon (voor het gemak eveneens Publius Cornelius Scipio genaamd) zou de Carthagers pas veel later definitief weten te verslaan, wat hem de bijnaam Africanus opleverde. Weer later werd daar Maior (Publius Cornelius Scipio Africanus Maior) aan toegevoegd, om hem op zijn beurt te onderscheiden van zijn geadopteerde kleinzoon (Publius Cornelius Scipio Aemilianus Africanus Minor), die eveneens in Noord-Afrika vocht.

De zelfbeheersing van Scipio Africanus (zie Livius XXVI 50), Simon de Vos (1641)
‘Africanus’ groeide zo uit tot een gevierde bijnaam in Rome, die de naam van een beruchte vijand moest doen vergeten: Hannibal. Gedurende enkele jaren had slechts het horen van de naam van deze man, leider van de Carthagers, menig moedig Romein doen bibberen van angst. Hannibal zou later worden gezien als de enige ‘waardige’ tegenstander die de Romeinen zijn tegengekomen. Uit dat oordeel blijkt een zekere vorm van bewondering, een sentiment dat zeker niet de boventoon voerde toen Hannibal nog maar net verslagen was. Scipio Africanus Maior was in de slag bij Zama (vlak bij Carthago) in 202 v.Chr. weliswaar als winnaar uit de strijd gekomen, maar het vredesverdrag dat daarna werd getekend had de brutale Carthagers naar de smaak van veel Romeinen nog lang niet genoeg op de knieën gebracht.
‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden.’
Zo klonk het jarenlang in de Romeinse senaat. De conservatieve Romeinse senator Cato de Oude sloot zijn redevoeringen steevast met deze beroemd geworden woorden af. In 146 v.Chr. werden ze waarheid: na de vernietigende oorlogsjaren met Carthago en de overwinning van de Romeinen bijna een halve eeuw eerder, werd de stad in Noord-Afrika alsnog volledig met de grond gelijk gemaakt. Het was een daad vol symboliek, die vooral te gericht was op de figuur van Hannibal.

Hannibal telt de ringen van de Romeinse ruiters die gedood werden tijdens de slag bij Cannae, Sébastien Slodtz (1704)
DE SCHRIK VAN DE ROMEINEN
Hannibal sprak (en spreekt) tot de verbeelding van vriend en vijand. Niet alleen omdat hij de stoutmoedigheid bezat om de Romeinen actief aan te vallen en met een heel leger (inclusief olifanten) de Alpen over te trekken; hij werd ook gezien als het brein en de drijvende kracht achter een van de meest bijzondere militaire overwinningen uit de geschiedenis: de slag bij Cannae (216 v.Chr.).
Daarmee is het oude Cannae, tegenwoordig het kleine, vrij onbeduidende dorpje Canne della Battaglia, misschien wel de beroemdste plek in heel Puglia. Met een relatief ongeorganiseerd en uitgeput leger van huursoldaten wist Hannibal het goed getrainde, perfect uitgeruste leger van de Romeinen ten val te brengen. In 216 v.Chr. weer alles er nog op dat Hannibal als winnaar uit de Romeins/Carthaagse strijd zou komen.
De legers van Hannibal waren Italië via de Alpen binnengetrokken en trokken verder, onderweg aanzienlijke schade aanrichtend. Na wat kleinere overwinningen in 218 en 217 v.Chr. bracht Hannibal zijn legers naar Puglia, om te overwinteren. Hij koos de kleine nederzetting Cannae als basis en nam zich voor ook het zuiden van Italië in te nemen. Rome reageerde en stuurde een twee consuls (Emilius Paulus en Terentius Varr) naar Puglia om het leger aan te voeren in de strijd tegen de brutale Hannibal.
VERDER LEZEN?
Het veel grotere leger van Varro en Paulus werd afgeslacht: van de 86.000 Romeinen zouden er zeker 70.000 zijn gedood. Hoe kon dit gebeuren? Lees er meer over in mijn boek Puglia. Reizen door de hak van de Italiaanse laars, dat binnenkort verschijnt (25 mei 2013) en nu met korting besteld kan worden!
Om de aanstaande verschijning van mijn boek over Puglia te vieren, reis ik vanaf vandaag op Orpheus Kijkt Om een week lang door de geschiedenis van de hak van de Italiaanse laars. We beginnen met een van de beroemdste Zuid-Italianen uit de oude geschiedenis, de alom bewonderde en geprezen Romeinse dichter Quintus Horatius Flaccus, kortweg: Horatius.

Horatius, door Giacomo Di Chirico (foto: Wikimedia)
Horatius werd geboren op 8 december 65 v.Chr. in Venusia (het huidige Venosa, op de grens tussen de regio’s Basilicata en Puglia), een redelijk grote stad langs de Via Appia die in 291 v.Chr. werd gesticht als Romeinse veteranenkolonie. Horatius’ ouderlijk huis was eenvoudig maar liefdevol: zijn vader was een vrijgelaten slaaf die besloot om naar Venosa te verhuizen. Hij bouwde er een goed bestaan op voor hemzelf en zijn gezin. Het ging de familie Flaccus goed: vader kon op een goed moment een kleine boerderij aanschaffen waarmee hij een bescheiden welvaart creëerde. Horatius plukte er de vruchten van: hij werd door zijn vader naar Rome en Athene gestuurd voor een degelijke opleiding.
NAAR ROME
Toen Horatius 12 jaar oud was, vertrok hij naar Rome. De grote stad bleek hem en zijn ambities goed te passen, zodat het erop uit zou draaien dat hij nog maar zelden naar zijn geboortegrond zou terugkeren. Horatius moest korte tijd in het leger dienen, waar hij het schopte tot legeraanvoerder. Toch bleek al snel dat zijn roeping elders lag. Hij begon een politiek-maatschappelijke carrière in de hoofdstad en bekleedde een aantal openbare functies. Grote roem verwierf hij pas toen hij begon met het voordragen en opschrijven van zijn dichtregels.
OP REIS
Een succesvolle carrière volgde, en het leek erop dat Horatius zijn ‘wortels’ voorgoed was vergeten. Toch blijkt hier en daar, soms terloops en tussen de regels, dat zijn geboortegrond nooit helemaal naar de achtergrond was verdwenen. Zuid-Italië had wel degelijk een speciale plaats in zijn hart behouden. In 37 v.Chr. maakte hij samen met de beroemde schrijver Vergilius en diens beschermheer Maecenas een reis naar Brindisi, havenstad van het zuidoosten. Maecenas was een goede vriend van de ambitieuze Octavianus (die kort daarna keizer Augustus zou worden). Als adviseur van Octavianus was Maecenas naar het zuiden getrokken, met een duidelijke opdracht: de relatie tussen Octavianus en Marcus Antonius herstellen. Vergilius en Horatius vergezelden hem op deze missie.

Het ‘Huis van Horatius’ in Venosa (foto: Wikimedia)
‘KIND VAN HET APULISCH LAND’
Horatius zou later een vers wijden aan deze reis. Over het hoe, wat en waar ervan is weinig bekend, maar we weten dat Horatius in elk geval over de lokale keuken allerminst te spreken was… De bakkers hadden zeker ‘zand in het meel vermalen’, zei hij toen hij het brood uit Puglia proefde. Toch blijkt uit veel andere gedichten die hij schreef dat het landschap en de natuur van het zuiden tot Horatius’ verbeelding spraken. Ze komen zijdelings aan bod in sommige van zijn verzen, zoals de Gierenberg (Monte Vulture), een nu uitgestorven vulkaan:
‘Toen ik, een kind van het Apulisch land,
eens op den Gierenberg, heel ver van huis,
door spel vermoeid door slaap was overmand,
hebben mij sprookjesduiven toegedekt
tot één verbazing voor de dorpsbewoners
hoog op de rots en laag in ´t vruchtbaar dal,
hoe ik voor adderbeet en bereklauw
beveiligd onder mirt en lauwer sliep,
een dapp´re, kleine godenlieveling.’
(Ode III.4.9-20, vertaling: Dr. A. Rutgers van der Loeff)
VERDER LEZEN?
De Romeinen hebben op heel veel manieren hun voetsporen achtergelaten in Puglia, de hak van de Italiaanse laars. Lees er meer over in mijn boek Puglia. Reizen door de hak van de Italiaanse laars, dat binnenkort (25 mei 2013) verschijnt en nu met een speciale korting besteld kan worden!
De Volkskrant: vijf sterren. Het NRC Handelsblad: vier sterren. Het Parool: vier sterren. We sluiten deze Boekenweek waardig af, met een meesterlijke oud-historische roman, die momenteel de boekhandels uit vliegt: De Afvallige, van Jan van Aken. ‘Een feest om te lezen.’
AFTAKELING
Het succes van Van Aken komt zeker niet uit de lucht vallen: van zijn vorige roman De valse dageraad werden al meer dan 60.000 exemplaren verkocht. Toch is het opmerkelijk dat een boek dat handelt over de 4de eeuw n.Chr. zo in het oog springt.
Vergeet grote namen als Caesar en Augustus, vergeet roemrijke veldslagen, glorieuze overwinningen en culturele en kunstzinnige hoogtepunten: de 4de eeuw draait om de aftakeling van het rijk, om trouweloze lieden die kortstondig de keizerstitel dragen maar hun ziel met gemak en zonder geweten verkopen aan de hoogste bieder. De Romeinse virtus is iets van een ver verleden: het is Hunnen, Goten en andere barbaars gespuis wat de klok slaat.
376 n.Chr., drie jaar voor de officiële ‘val’ van het West-Romeinse rijk. Uit de Aziatische steppen nadert onheil: tienduizenden Goten steken in paniek de Donau over en vragen asiel aan in het Romeinse rijk. Een orakel wijst de nietsvermoedende wijnhandelaar Swintharik aan als degene die de crisis moet bezweren, waarna velen naar hem op zoek gaan.
Swintharik bevindt zich ondertussen in een ruïneveld, net buiten Damascus. Daar zit hij op een pilaar, zijn leven te overdenken. Dat gaat hem goed af, tot hij ontdekt dat hij gezocht wordt. Hij slaat op de vlucht. Zijn weg betrekt hem zowel bij een complot dat het hele Romeinse rijk bedreigt, als bij de moord op de afvallige keizer Julianus.
VERDER LEZEN
Wat volgt is een intrigerende historische roman die, aldus Bert Wagendorp in De Volkskrant, ‘zeshonderd pagina’s lang spannend’ is. ‘Door zijn vaart en humor een feest om te lezen,’ schreef Arjen Fortuin in het NRC Handelsblad, ‘Jan van Aken loopt door de vierde eeuw alsof hij erin geboren is.’
De Afvallige
Jan van Aken
Uitgeverij Querido
ISBN 9789021446486
€ 19,95
E-book:
ISBN 9789046493
€ 15,99
Gister schreef ik over het Theater van Pompeius, waar de eerste Nederlandse ‘toeristen’ in Rome werden rondgeleid. Het theater is in meerdere opzichten een dramatische locatie gebleken: op deze plek werd rond deze tijd van het jaar (op 15 maart 44 v.Chr) Julius Caesar vermoord, tijdens een senaatszitting.
Die historische gebeurtenis inspireerde William Shakespeare al in 1599 tot het schrijven van een prachtige tragedie. Regisseurs en scenarioschrijvers van ná de uitvinding van filmcamera grepen de dramatiek van de gebeurtenis (Et tu, Brutu?) eveneens met beide handen aan. Zij maakten er de volgende filmscènes van:
Julius Caesar, Joseph Mankiewicz (film, 1953)
Julius Caesar, Herbert Wise (serie, 1979)
Julius Caesar, Uli Edel, (serie, 2002)
Rome, B. Heller, W.J. MacDonald & J. Milius (serie, 2005-2007)

Foto: Roman Scotland
‘Ik aarzel niet er recht voor uit te komen / dat ik vooral één mensengroep ontwijk / de lievelingen van het rijke Rome: / die Griekse droesem, waar die stad van ons verziekt van is – en veel meer buitenlanders!//’
‘Ach Romulus, uw eigen oer-Romeinen / lopen op feestsandalen rond en tooien / hun ingezalfde hals met Griekse kralen // En oosterlingen – Grieken, Macedonen / Klein-Aziaten, Archipelbewoners – / bezetten onze heuvels, Viminalis /en Esquilijn vooral’*
Aan het woord is Juvenalis, een groot Romeins satiredichter uit de 1ste/2de eeuw n.Chr. Zijn woorden zouden, iets gemoderniseerd, vandaag de dag nog kunnen worden uitgesproken door een inwoner van een willekeurige grote stad – een plek waar men onherroepelijk te maken krijgt met immigranten.
VREEMDELINGEN TOEN EN NU
Er zijn meer parallellen te trekken tussen het oude Rome en de wereld van vandaag, en dan specifiek met het gebied dat geografisch gezien (deels) overeenkomt met dat voormalige Romeinse rijk: de Europese Unie. Historicus en schrijver Fik Meijer vraagt zich – met dat in het achterhoofd – in zijn boek Lessen uit Rome. Vreemdelingen in het Romeinse rijk en in de Europese Unie, dat al even geleden geschreven is, af: zijn de oplossingen die de oude Romeinen bedachten voor de vreemdelingenpolitiek vandaag de dag nog toepasbaar?
Een mooie gedachte, want wie weet welke strategieën er bewaard zijn gebleven uit het oude Rome, die op de een of andere manier van pas kunnen komen? Meijer concentreert zich in het beantwoorden van die vraag op de onderwerpen migratie, integratie, segregatie en religieuze tolerantie.
IN VOGELVLUCHT
In zijn zoektocht naar toepasbare strategieën uit het oude Rome gaat Meijer in vogelvlucht door de geschiedenis van het rijk heen: vanaf de vroegste expansie van de republiek in de eerste eeuwen voor Christus en de enorme uitbreiding van het imperium in de keizertijd tot aan de periode waarin het Romeinse rijk een hoogtepunt bereikte – zowel in grootte als in het aantal politieke, maatschappelijke en militaire problemen waarmee men werd geconfronteerd.
Tot een echt helder antwoord op de vraag welke concrete lessen we nu kunnen leren uit Rome komt het uiteraard niet – daarvoor zijn de verschillen te groot en bovendien: het Romeinse rijk bleek uiteindelijk op veel fronten niet succesvol. De antwoorden – of liever: voorbeelden – uit het verleden die Fik Meijer vond, bieden echter wel inspiratie en perspectief op de toekomst. Een bepaalde mate van historisch besef, zo blijkt, kan nog wel eens van pas komen in het Europa van nu.
EUROPEA REI PUBLICAE
Gelukkig blijkt dat besef niet helemaal te ontbreken. Zo kwamen alle Europese regeringsleiders op 29 oktober 2004 in Rome bijeen, voor de ondertekening van de nieuwe grondwet van de Europese Unie. ‘Plaats van handeling,’ zo vertelt Meijer, ‘waren de Capitolijnse Musea, die op de plaats staan van de tempel waarin oppergod Jupiter de offers van de triomfatoren had aanvaard. In de beroemde zaal van de Horatii en de Curiatii ondertekenden de regeringsleiders de nieuwe grondwet. Vlaggen met de tekst Europae Rei Publicae Status (‘de stichting van een Europese staat’) op het grote plein van het Capitool lieten aan duidelijkheid niets te wensen over.’
We eindigen, gelukkig, met een positieve noot en een hart onder de riem voor het, laten we wel wezen, nog piepjonge Europa: ‘De Europese Unie is nog jong, heeft een grote economische potentie en bezit voldoende veerkracht om de confrontatie aan te gaan met de problemen die de komst van een (onvoorziene) migrantenstroom met zich meebrengt. Voor ‘Romeinse toestanden’ hoeven we, aldus Meijer, in Europa voorlopig niet bang te zijn.
VERDER LEZEN?
Lessen uit Rome verscheen als essaybundel ter gelegenheid van de Maand van de Geschiedenis in 2011, maar is via een aantal kanalen nog wel verkrijgbaar.

Lessen uit Rome, Fik Meijer (2011)
Uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep
ISBN 9789085710547 | € 10
* Juvenalis, Satiren (3,58-80), vertaling M. d’Hane-Scheltema
Warner Brothers heeft aangekondigd een nieuwe, epische film te willen maken over een (fictieve) strijd tussen het oude Rome en China. The Lost Legion, is de voorlopige titel. > Lees het hele artikel (Engels).



Een prachtige vondst
‘Dit gezicht heeft precies alle karakteristieken van de illustere personages van de Julisch-Claudische familie’, aldus professor Alfonsina Russo Tagliente. Ze onderzoekt en restaureert een beeld dat deze week werd gevonden in Arenova, vlak bij het drukke vliegveld van Rome. Op de plek waar de vondst werd gedaan stond in de oudheid een prachtige villa.
Wie die ‘illlustere personages van de Julisch-Claudische familie’ precies waren? In elk geval was het niet zomaar een familie: hiermee worden de keizers en keizerlijke families aangeduid die het begin van de Romeinse keizertijd vormgaven. Vanaf Julius Caesar en Augustus tot en met de beruchte Nero – allen hadden ze, dankzij ingewikkelde banden en politieke huwelijken, een stamboom die steeds weer naar elkaar leidde.
In het bijzonder heeft Russo Tagliente één ‘illustere’ vrouw in gedachten, die achter dit gezicht zou schuilgaan. Ze heeft het beeld geïnterpreteerd als Julia, dochter van keizer Augustus.

Het ‘gezicht van Julia’, dat onlangs werd gevonden. Foto: La Repubblica (idem hierboven)
Over Julia
Op de dag dat de kleine Julia Caesaris op deze wereld kwam, 39 jaar voor het begin van onze jaartelling, besloot haar nietsontziende vader Augustus om van haar moeder te scheiden. De arme Scribonia bleef alleen achter, zonder haar dochter en haar goede naam door de toekomstige keizer door het slijk gehaald.
Julia wachtte een leven als diplomatieke speelbal van haar vader, die voor zichzelf de weg effende naar alleenheerschappij over Rome en haar machtige rijk. Ze was nog maar 2 jaar oud toen hij haar uithuwelijkte aan de zoon van Marcus Antonius – toen nog zijn politieke metgezel, later zijn aartsvijand in de strijd om de ‘troon’. In 31 v.Chr. zouden de twee mannen elkaar treffen in een zeeslag bij Actium. Met Marcus Antonius werd voorgoed afgerekend. Het huwelijk tussen Julia en Marcus Antonius’ zoon werd kort daarna opgelost; de jongen stierf in het jaar 30 v.Chr.
Als tiener al was Julia daarom aan haar tweede huwelijk toe. Haar hand werd geschonken aan haar neef Claudius Marcellus, maar ook hij legde niet lang daarna het loodje. In het jaar 21 v.Chr., toen Augustus’ macht geconsolideerd was, huwelijkte Julia’s vader haar uit aan zijn rechterhand en vertrouweling Agrippa. Agrippa was bijna dertig jaar ouder dan zijn dochter.
De vierde huwelijksboot

Svedomsky, Julia in ballingschap
Dit huwelijk was een langer leven beschoren, en bracht zelfs vijf kinderen voort. Toch overleefde de ongelukkige Julia ook haar derde echtgenoot. Omdat de dochter van de keizer niet alleen door het leven hoort te gaan, werd ze gedwongen nogmaals te trouwen. In 12 v.Chr. stapte ze in het huwelijksbootje met Tiberius, de oudste zoon van Liva, de nieuwe echtgenote van Augustus. Dit moet een ongemakkelijke gebeurtenis zijn geweest: Tiberius – de gedoodverfde troonopvolger die door Livia naar voren was geschoven – werd voor het huwelijk gedwongen om van zijn geliefde vrouw Agrippina te scheiden.
Jaren verstreken en de rust keerde ongetwijfeld weer aan het keizerlijke hof. Maar echte liefde zou er tussen Julia en Tiberius nooit ontstaan. Misschien was het daarom dat ze haar heil, na al die jaren van gedwongen relaties, buiten de deur zocht. In het geheim zou ze Julius Antonius, een andere zoon van Marcus Antonius, hebben ontmoet. De twee minnaars werden echter verraden, en er hing hen een wrede straf boven het hoofd.
Liefdesverdriet
Julius pleegde zelfmoord; vanwege het ondraagbare liefdesverdriet of om zijn eer te redden. Julia aanvaardde echter de straf die haar werd opgelegd: verbanning. Vijf jaar zou ze moeten verblijven op het eiland Ventotene (toen Pandateria geheten) in de Tyrrheense Zee. Wie al die jaren in de schaduw had weten te overleven, en trouw haar dochter naar dit afgelegen oord begeleidde, was Scribonia.
Na vijf jaar was het hart van keizer milder gestemd, en stond hij toe dat zijn dochter naar een beter oord verhuisde. Ze kwam terecht in Puglia, in het uiterste zuiden van Italië, waar ze de laatste elf jaar van haar leven zou slijten. In die periode stierven al haar zoons – nieuws dat haar ondanks de afstand snel wist te bereiken. Toen haar jongste zoon de dood vond, ging ze in hongerstaking. Uit wanhoop, of uit verdriet, wie zal het zeggen. In het jaar 14 n.Chr. stierf ze uiteindelijk, net toen haar bedrogen ex-man keizer werd van het grote en machtige Romeinse rijk.
Het gezicht van een rijke Romein, wiens skelet zo’n 18 jaar geleden in South Wales werd gevonden, is dankzij forensisch onderzoek gereconstrueerd en zijn portret geschilderd. Lees het hele artikel hier!

Foto © BBC