Waar je ook staat in Rome, je kunt er vanuit gaan dat er niet alleen om je heen, maar ook onder je voeten van alles te ontdekken valt. Heb je je bijvoorbeeld wel eens afgevraagd waarom het Colosseum eigenlijk het Colosseum heet? Het heeft alles te maken met de straat die vandaag aan bod komt in het Stratenboek van Rome: Viale della Domus Aurea.
Op de hoek waar het Piazza del Colosseo de Via Labicana kruist, vind je de ingang naar een park. Als je door het toegangshek loopt, wandel je de Viale della Domus Aurea op: de straat van het Gouden Huis. ‘Gouden Huis’ was de bijnaam van het woonpaleis dat de beruchte Romeinse keizer Nero (37-68 n.Chr.) voor zichzelf liet bouwen. Delen ervan staan nog altijd ‘overeind’, precies onder de Viale della Domus Aurea.

Viale della Domus Aurea, Rome
Over dat paleis van Nero deden de wildste verhalen de ronde – men sprak niet voor niets van het ‘Gouden Huis’. Het was in de eerste plaats gigantisch groot. Suetonius, de Romeinse keizerbiograaf uit de 1ste/2de eeuw n.Chr., schreef: ‘Het paleis was zo immens dat het een driedubbele galerij bevatte van een mijl lengte, verder een vijver die wel een zee leek, omgeven door gebouwen die voor steden konden doorgaan.’ Alle hallen en kamers waren voorzien van schilderingen en rijke decoraties, en Nero’s nieuwe woning zat vol state of the art technische snufjes. Zo zouden de plafonds van de eetzalen kunnen ronddraaien, terwijl er bloemblaadjes en geurige parfums als weldadige nevel neerdaalden op de gasten. Een ander belangrijk symbool van de grootheidswaanzin van Nero was het gigantische standbeeld van zichzelf dat hij in een van de tuinen van zijn paleis liet oprichten, de colossus neronis.

Portret van Nero, 1ste eeuw n.Chr.
De afkeurende roddels over de Domus Aurea gingen verder. De hele bouw was omstreden: sinds de eerste keizer (Augustus, Nero was de vijfde) resideerden de heersers van het rijk op de Palatijn, de heuvel in het centrum van Rome die zich bij het Forum Romanum bevindt. Nero, die in 54 n.Chr. keizer was geworden, had daar ook een paleis en was bezig dat flink uit te breiden, toen er een brand uitbrak (64 n.Chr.). De verwoestende vlammen brandden volgens de overlevering bijna tweederde van de stad plat – inclusief het paleis van de keizer. Nero zag zijn kans schoon: nu kon hij eindelijk een waardig paleis bouwen. Tegenstanders – en daar had Nero er wel wat van – beweerden dat hij de brand eigenhandig had aangestoken. Hij zou alle platgebrande grond (meer dan de helft van de stad dus) hebben gebruikt om zijn exorbitante paleis op te bouwen.
De geschiedenis van de bouw van Nero’s paleis is interessant, maar dat geldt ook voor wat er daarna mee gebeurde. Na de dood van Nero – de laatste van de Julisch-Claudische keizers, te weten Augustus, Tiberius, Caligula, Claudius en Nero dus – ging het er een jaar lang wat chaotisch aan toe in het Romeinse rijk, maar al snel kwam er een nieuwe familie aan de macht: de Flaviërs. De herinnering aan de despoot Nero werd letterlijk en figuurlijk geweld aangedaan: er werd een damnatio memoriae uitgevoerd, wat inhield dat alles wat aan hem herinnerde vernietigd werd (busten, standbeelden, beeltenissen op munten, etc.). De Domus Aurea werd met de grond gelijk gemaakt. Het enorme standbeeld van Nero, de colossus, werd neergehaald. Toen de Flavische keizers moesten beslissen wat er in de plaats van het paleis van de despoot gebouwd zou worden, hoefden ze niet lang na te denken. Hier moest, symbolisch genoeg, een plek komen voor het volk van Rome. En het volk, zo wisten ze in Rome, wil slechts twee dingen: brood, en spelen.
Er werd begonnen met de bouw van een amfitheater dat de hoofdstad van het Romeinse rijk waardig zou zijn. En waar kon dat beter dan op de plek waar nog enkele jaren daarvoor de enorme colossus neronis had gestaan? Hoewel de nieuwe arena van Rome officieel het Amfiteatrum Flavium werd genoemd, naar de familienaam van de bouwers, herinnert de veel beroemdere bijnaam van het gebouw, Colosseum, nog altijd aan dat megalomane standbeeld dat daarvoor op die plek in Rome stond.

De ‘Octagonale zaal’ in de Domus Aurea. Foto: SSBAR (E. Monti)
De Flavische keizers zijn in hun damnatio memoriae van Nero zeer succesvol geweest. Het zou zo’n anderhalf millennium duren – tot 14 januari 1506 om precies te zijn – voordat de herinnering aan Nero’s paleis weer aan het licht kwam. Op die dag was Felice de’ Fredi toevallig aan het spitten in het stukje Romeinse grond dat hij bezat. Al snel stuitte hij op een harde, stenen ondergrond. Hij deed een vondst die de kunstgeschiedenis voorgoed zou veranderen.
De’ Fredi bleek bovenop het plafond van de Domus Aurea te staan, het ‘Gouden Huis’ van de Romeinse keizer Nero, waarover al eeuwen de wildste roddels gingen. Al snel zond de paus (Julius II) een delegatie om de vondst nader te onderzoeken. Een groep kunstenaars en kenners (waaronder Michelangelo) daalde met gevaar voor eigen leven af in de donkere, holle ruimtes. Wat hun oudheidminnende ogen daar zagen – met fresco’s versierde zalen, marmeren ornamenten, sculpturen – bracht ze bijna in vervoering. Eeuwenlang waren de ruimtes door geen voet getreden, en nu zagen zij het als eerste weer. De vondst zou de schilderkunst van de late renaissance diep beïnvloeden. Er ontstond zelfs een stroming, genaamd ‘grotesk’, om de overdaad aan geschilderde ornamenten aan te duiden die in zwang raakte – vernoemd naar de ‘grotachtige’ ruimtes van de ondergrondse Domus Aurea.
De Viale della Domus Aurea is uiteraard gewoon toegankelijk voor publiek. Zo’n tien jaar geleden gold datzelfde voor enkele delen van de Domus Aurea, onder de grond. Zoals op veel plekken in Rome is het met het onderhoud van de ruïnes echter niet best gesteld. In 2005 moesten de deuren sluiten wegens serieus instortingsgevaar. Na de instorting van een deel van Trajanus’ thermengebouw (ook deels over de Domus Aurea heen gebouwd) in maart 2010, werd het hele gebied door de gemeente Rome overgedragen aan de zorg van de lokale archeologische dienst. Hoe de werkzaamheden vorderen kun je bijhouden op hun (Italiaanse) blog.
♥
Dit is een aflevering in de serie ‘Straatverhalen van Rome’.
Eens was het een onopvallend straatje, waar bescheiden werkruimtes van handwerklieden (marmerbewerkers, metselaars) en stallen, schuren en opbergruimtes elkaar afwisselden. Tegenwoordig vind je er vooral kunstgaleries, hippe hotels en stijlvolle restaurants. Gek genoeg heeft dit straatje in het hart van het drukke centrum van Rome altijd een serene rust uitgestraald. De sfeer is er tot op de dag van vandaag ontspannen en bohemienachtig, en met al haar groene klimop en andere begroeiing voelt het soms alsof je door een weelderige tuin wandelt. Ik heb het natuurlijk over het meest pittoreske straatje van Rome: Via Margutta.

Natuurlijk hebben de Romeinen een goed verhaal klaar als je ze vraagt waar de naam Margutta vandaan komt. Margutta zou afkomstig zijn van ‘Marisguta’, oftewel goccia di mare – een druppeltje zee. Een koosnaam voor de smerige stroom water die vanaf de Pincioheuvel naar beneden stroomde, de Via Margutta in, en die voornamelijk als riool werd gebruikt. De stadsarchieven van Rome onthullen echter nog een andere mogelijkheid: in 1526 betrekt een zekere Luigi Marguti een woning in het straatje, om er een kapperszaak te openen.
Wanneer je de Via Margutta vanaf de kant van de Spaanse Trappen bent in gewandeld, dan kom je al snel aan je rechterhand een klein fonteintje tegen. Het is de Fontana degli Artisti, de Fontein van de Kunstenaars. Hoe langer je ernaar kijkt, hoe meer je ziet: maskers, penselen, ezels, sculptuurgereedschap – stuk voor stuk symbolen van het kunstenaarschap. Hoewel de straat al in de 17de eeuw het domein werd van kunstenaars van over de hele wereld, staat de fontein hier pas sinds 1927.
De Via Margutta dankt veel van haar roem aan enkele beroemde inwoners. Wanneer je door de straat wandelt, kom je hun huizen en verhalen vanzelf tegen.
Bijna niemand kan de verleiding weerstaan zijn krappe winkeltje even binnen te stappen – een van de weinige echte ambachtsplaatsen die je nog kunt vinden in de Via Margutta. Bij de ingang ligt een uitnodigende stapel met marmeren bordjes, waarop allerlei Italiaanse en Latijnse spreuken te lezen zijn. Dit is de werkplaats van Enrico Fiorentini – Er Marmoraro in de Romeinse volksmond (de marmerbewerker). Hij staat je altijd vriendelijk te woord, dus neem gerust een kijkje. Wie iets bijzonders mee naar huis wil nemen kan zelf een tekst op een marmerbordje laten plaatsen door de meester.

Vlak bij de werkplaats van Er Marmoraro vind je het huis (en de binnenhof) waarmee de Via Margutta in een klap wereldberoemd werd. Op nummer 51 vind je namelijk het huis van Joe uit de film Roman Holiday. Als hij Anne pas net heeft ontmoet en niet weet waar hij haar naartoe kan brengen, neemt hij haar mee naar zijn huis aan de Via Margutta. De binnenhof die veel in beeld is kun je zo in lopen.
In een van de oudste gebouwen die je nog aan de Via Margutta kunt vinden, op nummer 110, kun je op de muur lezen voor wiens deur je staat. Het is het huis waar ooit de beroemde filmregisseur Federico Fellini woonde, samen met Giulietta Masina. Op het bordje op de muur zie je nog altijd de karikaturen Fellini en Masina; twee personages die de Italiaanse cinema elk op hun eigen manier getekend hebben.

Je bereikt Via Margutta als volgt: wandel vanaf Piazza del Popolo de Via del Babuino in en sla het eerste steegje in dat je aan je linkerhand tegenkomt. Vanaf de Spaanse Trappen kun je eveneens de Via Margutta in lopen, om vervolgens de eerste straat rechts te nemen (Via Alibert).

♥
Dit is een aflevering in de serie Straatverhalen van Rome.

Reconstructie van het Theater van Pompeius (foto: Wikimedia)
Tussen de gezellige wirwar van wijnbarretjes, bakkers en restaurants rond het Campo de’ Fiori in Rome vind je een plein dat is vernoemd naar een theater Piazza del Teatro di Pompeo. Toch zul je, wanneer je ernaartoe wandelt, nergens een teatro vinden. Om het theater te zien zou je namelijk onder de grond moeten kunnen kijken.
Er is nog een optie, die helaas al even onuitvoerbaar is: wanneer je in een helikopter boven dit deel van Rome zou zweven, zou je in het huidige stratenplan nog de vorm herkennen van het theater dat hier in de oudheid werd gebouwd in opdracht van de grote Romeinse generaal Pompeius. Piazza del Teatro di Pompeo is vernoemd naar dat theater, hoewel het zich gek genoeg niet precies op de plek bevindt waar het theater echt moet hebben gestaan. In de plattegrond van de huidige stadswijk zie je namelijk, zoals ik hierboven al even aanstipte, de contouren van het theater nog altijd terug in de loop en ligging van Piazza del Biscione, Via del Biscione, Largo di Torre Argentina en Via dei Giubbonari.
Het theater van Pompeius werd al in 55 v.Chr. gebouwd. Niet alleen vanwege de pracht en grootsheid van het project was dat bijzonder te noemen; het was ook het eerste stenen theater dat in Rome verrees. Theatrale voorstellingen, voordrachten en gladiatorenspelen werden natuurlijk al langer gehouden, maar de arena’s en theaters die daarvoor werden gebruikt bestonden lange tijd uit weinig meer dan tijdelijke, houten tribunes. Gnaeus Pompeius Magnus (106-48 v.Chr.), ook wel bekend als Pompeius de Grote, had genoeg van die krakkemikkige constructies en liet in 55 v.Chr. voor het eerst een permanent theater van steen bouwen in Rome.
Het werd een gigantisch complex, dat plaats bood aan ongeveer 30.000 toeschouwers. Pompeius’ theater bestond uit een cavea (een halfronde tribune zoals die ook bij Griekse theaters gebruikelijk was), een podium aan de rechte zijde van de halve cirkel en, achter het podium en de podiummuur (scaena), een grote rechthoekige ruimte waar overdekte zuilengalerijen en groene bomen elkaar afwisselden. Deze groene oase stond bekend als het ‘heilige bos’. Het moet een fijne plek zijn geweest om bij regen of juist felle zon even te schuilen, al beweerden loslippige roddelaars dat het vooral een ontmoetingsplek was voor geliefden en prostituees.
Helaas is er van het hele complex van Pompeius’ theater vrijwel niets overgebleven. Een klein deel van de oostelijke porticus is opgegraven aan het plein Largo di Torre Argentina en sommige van de oorspronkelijke muren en gewelven kun je nog zien in de kelders van een aantal gebouwen aan de Via di Grotta Pinta. De exacte locatie van het theater en hoe het er precies uit heeft gezien, is dan ook voornamelijk bekend dankzij een overgeleverd fragment van de Forma Urbis Romae, een marmeren stadsplattegrond van Rome uit de derde eeuw n.Chr.
Zo weten we bijvoorbeeld ook dat er aan de oostzijde van het theater een gebouw stond, de Curia Pompei, waarin senaatsvergaderingen werden gehouden wanneer de vergaderzaal op het Forum Romanum niet beschikbaar was. Tussen de jaren 55 en 20 v.Ch. gebeurde daar iets gedenkwaardigs, dat volgens keizerbiograaf Suetonius (70-140 n.Chr.) “door onmiskenbare voortekens” reeds was aangekondigd: het is de plek waar Julius Caesar op 15 maart van het jaar 44 v.Chr. werd vermoord, tijdens een senaatsvergadering die, wegens omstandigheden, in het Theater van Pompeius plaatsvond.

Het gebied van het Theater van Pompeius; detail van een kaart van Rome uit 1593 van Antonio Tesmpesta. Foto: Theatreofpompey.com
Terug naar Piazza del Teatro di Pompeo. In het verleden stond dat plein bekend als Piazza Pollarola of Pollaroli, zoals men kon afleiden uit een stadsplattegrond uit 1748. Die naam was afgeleid van de markt die er tot de 15de eeuw werd gehouden op het plein – een markt die volledig was gericht op pluimvee, pollame in het Italiaans. Met die bloeiende handel wist een zekere Ceccolo Pichi zich zo te verrijken, dat hij in 1460 aan het plein een prachtig palazzo liet bouwen (nummer 43). Op de eerste verdieping kun je, boven het raam, zijn naam nog in een inscriptie lezen: CECHOLUS DE PICHIS. Ceccolo trouwde met Anastasia Tartari en kreeg met haar een zoon: Girolamo Pichi. Pichi junior trad op zijn beurt in het huwelijk met Geronima Alberini en liet samen met haar palazzo Pichi Manfroni Lovatti bouwen, even verderop aan de Corso Vittorio Emanuele II.
♥
♦ Dit is een aflevering in de serie Straatverhalen van Rome ♦
Romeinse suburb
Piazza della Suburra is niets meer dan een onbeduidend pleintje in de levendige Romeinse wijk Monti. De naam is een stuk minder onbeduidend; direct naast het marmeren straatbordje vind je een inscriptie die de herkomst van de naam verraadt. Piazza della Suburra is vernoemd naar wat je duizenden jaren geleden op deze plek in Rome aantrof. In de oudheid heette deze wijk Subura – een naam die waarschijnlijk is afgeleid van sub urbe, oftewel ‘onder de stad’ (het stadsdeel is lager gelegen dan het oudste bewoonde deel, de Palatijn), alhoewel verschillende verhalen de ronde zijn gegaan over de herkomst.
De Romeinse wijk Subura strekte zich vanaf Monti uit tot aan de Esquilijnheuvel en was verbonden met het Forum Romanum via de Argiletum, een belangrijke en drukke straat in het oude Rome. Volgens een inscriptie (CIL VI.9526: Sebura maiore ad ninfas) werd de wijk op een bepaald moment in tweeën opgedeeld. Subura Maior was het beruchte, lawaaierige deel van de wijk, dat het dichtst bij het Forum Romanum lag en waar zich alle woningen en winkels concentreerden. Subura Minor lag wat hoger, was minder dichtbevolkt en dus een stuk minder gevaarlijk: hier waren de panden statiger en de lucht gezonder. Straatnamen als Vicus Patricius en Vicus Cyspius verraden dat de huizen hier bewoond werden door senatoren en andere nobele families.
“Wandelen door de Subura moet een levendige maar smerige, stinkende en niet ongevaarlijke ervaring zijn geweest”
Red light district
In antieke bronnen, zowel literaire als epigrafische, wordt de Subura vaak genoemd. Het was er ‘lawaaierig, nat en vies,’ aldus Martialis (XII.18.2 en V.22.5-9). De Subura was in de oudheid een bekende tippelzone, schreef diezelfde dichter (II.17, VI.66.1-2 en XI.61.3), het ‘red light district’ van het oude Rome. Er werd veel gehandeld in de straten van de Subura, in etenswaren, delicatessen en allerlei goederen. Wandelen door de Subura moet een levendige maar smerige, stinkende en niet ongevaarlijke ervaring zijn geweest in de oudheid.

Inscriptie op de hoek van Piazza della Suburra in de wijk Monti
Antieke flatgebouwen
Hoogbouw was de norm voor de woningen in de volkswijk Subura. De over het algemeen straatarme bewoners van Rome woonden in insulae (letterlijk: eiland), een soort antieke variant van flatgebouwen. De kleine, bedompte kamers in zo’n ‘flat’, die tot wel vijf verdiepingen kon tellen, werden verhuurd als woning – eerder in de praktijk vooral als slaapplek. Koken, eten, drinken en toiletteren deed men niet ‘thuis’, maar buiten de deur, bij een thermopolium (de antieke variant van een afhaalrestaurant), bij fonteinen en bij openbare toiletten. De ruimtes op de begane grond waren niet bedoeld als woningen; hier bevonden zich de toonbaken van de tabernae, de winkeltjes die hun goederen of diensten aan de straat verkochten. Door slechte bouwconstructies en het gebruik van hout bij de bouw van de flats, kwamen instortingen en brand regelmatig voor.
“Volgens Suetonius stond de wieg van niemand minder dan Julius Caesar in de Subura”
Beroemde bewoner
Toch waren er delen van de Subura die minder moeten hebben gekrioeld van ratten, hoeren en rottende etenswaren. L. Arruntius Stella, consul van Rome in het jaar 101, had volgens Martialis een huis in deze wijk. De meest beroemde ‘Suburiaan’ was echter iemand anders. Volgens Suetonius stond de wieg van niemand minder dan Julius Caesar in de Subura:
‘He lived at first in the Subura in a modest house, but after he became pontifex maximus, in the official residence on the Sacred Way.’ (Suet. Caes. 46).
Via Cavour
De inscriptie die in de inleiding al werd genoemd, naast het straatbordje van Piazzal della Suburra, vind je op de hoek van het gebouw dat direct naast de ingang van metrohalte Cavour staat. De tekst is onderdeel van een gedenksteen die herinnert aan een kerk die er niet meer is: S.Salvatore alle Tre Immagini. Stefano Copo liet die kerk ten tijde van paus Alexander VI (1492-1503) restaureren en plaatste bij die gelegenheid een inscriptie:
ALEXANDRO VI PONT MAX
SUBURA
AEDICULAM SALVATORIS TRIUM IMAGINUM SUBURANI AMBITUS REG MONTENSIUM NEMEMORIA INTERIRET STEPHANUS COPPUS GEMINIANENSIS S IMPEN IN CULCTIOREM FORM REDEGIT AEDITUOQ ANNUOS SUMPTUS PERPETUO CONSECRAVIT
Vrij vertaald: ‘Stefano Coppo uit San Gimignano heeft met eigen middelen het gebouw van de Salvatore alle Tre Immagini bij de Subura in de wijk Monti verfraaid, zodat de herinnering niet verloren gaat en hij zegende de kerk voor altijd door een jaarlijkse financiering aan te bieden.’
De kerk die Stefano Coppo met zoveel liefde in ere had hersteld, werd in 1884, bij de aanleg van de Via Cavour, alsnog van de kaart geveegd. De inscriptie werd bewaard en vond aan Piazza della Suburra alsnog een plekje.
♥
*Dit is een aflevering in de serie Straatverhalen van Rome.*
Vlak achter het Pantheon in Rome bevindt zich een klein pleintje dat bekend staat om koffie. Dat wil zeggen, er bevindt zich een koffiebarretje met dezelfde naam als het pleintje (S. Eustachio), waar volgens velen de lekkerste koffiebonen van de stad worden gebrand en de beste espresso’s en ijskoffies geserveerd. Tot 1870 werd hier bovendien de beroemde fiera della Befana gehouden, voordat het naar Piazza Navona verhuisde. Tijdens die festiviteiten kwam heel Rome bijeen op het kleine plein. De beroemde koffiebar is uiteraard vernoemd naar het plein, maar waar het plein dan weer precies naar vernoemd is, weten maar weinig mensen.

De koffie van S. Eustachio
Het hert van Piazza S. Eustachio
Wanneer een straat en een plein in Rome naar een heilige zijn vernoemd, betekent dat bijna altijd dat zich ergens in de buurt een kerk bevindt die gewijd is aan dezelfde santo. Dat klopt ook hier; Via en Piazza S. Eustachio zijn vernoemd naar de Basilica di S. Eustachio, in sommige historische documenten ook wel verkort als Sancto Stati. De kerk is gemakkelijk te herkennen: bovenop het dak zie je de karakteristieke kop van een hert, met op zijn hoofd niet alleen een gewei, maar ook een kruis.
De hertenkop verwijst naar het bijzondere verhaal van Eustachius, die ooit door het leven ging als Placidus. Toen Placidus, generaal in het leger van Trajanus in de vroege 2de eeuw, eens ging jagen in de heuvels bij Tivoli, stuitte hij op een hert met een gloeiend kruis in zijn gewei (volgens een andere versie van het verhaal zag hij het gezicht van Jezus de Verlosser, maar dat terzijde). Natuurlijk bekeerde de heiden Placidus zich na het zien van dit wonder tot het christendom; bij zijn doop nam hij de naam Eustachius aan. Toen enkele jaren later Hadrianus aan de macht kwam, werd hij door de nieuwe keizer veroordeeld vanwege zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende weigering de Romeinse goden te eren.

Hertenkop op de drempel van Bar S. Eustachio
Eustachius, zijn vrouw en zijn kinderen werden letterlijk voor de leeuwen gegooid. Een tweede wonder gebeurde: de leeuwen durfden de vrome christenen niet aan te raken en wendden hun koppen zelfs van ze af. Het leek de keizer gepast om de hele familie dan maar levend te koken in een grote bronzen ketel. Hoewel ze in de ketel stierven, bleken hun lichamen bij het opruimen van de boel helemaal intact gebleven.
De kleine christengemeente in Rome eerde de herinnering aan Eustachius en de wonderen die waren geschied door een heilige plaats op te richten op de plaats waar zijn huis had gestaan. Later, rond 1200, richtte Celestinus III precies op die plek een kerk op; de Basilica di S. Eustachio. De klokkentoren die je nu nog links van de (17de-eeuwse) façade kunt zien dateert uit die vroege periode. Wie goed kijkt, ziet dat de onderste ramen in de toren zijn dichtgemetseld; dat zijn ze al sinds de 17de eeuw, al weet niemand waarom.

Het visioen van S. Eustachius, door Pisanello (1436)
In de loop der eeuwen werd de Basilica di S. Eustachio meerdere keren gerestaureerd. De hertenkop werd gemaakt door Paolo Morelli aan het begin van de 17de eeuw, natuurlijk refererend aan het visioen van Eustachius. Achter de ijzeren hekken die de porticus afsluiten zijn een aantal oude inscripties te vinden. Binnen in de kerk wordt een urn bewaard met daarin de overblijfselen van Eustachius en zijn gezin. Ook op het baldakijn bij het altaar vind je het hert terug.
De oudste universiteit en de kamerheer van Farnese

De top van de S. Ivo alla Sapienza, gezien vanaf Piazza S. Eustachio
Eeuwenlang diende de S. Eustachio als een soort bijgebouw van het palazzo van de Sapienza, de universiteit van Rome die al in 1303 werd opgericht. Bij diezelfde universiteit hoorde een kapel, de Sant’Ivo alla Sapienza, vanaf het Piazza S. Eustachio te herkennen aan het ongewone, wervelende kerktorentje dat wel wat weg heeft van taart. Tot 1570 werden de diploma’s van de Sapienza-studenten uitgereikt in de Basilica di S. Eustachio.
Op de gevel van de S. Eustachio vind je (links, op de hoek met Via di S. Eustachio), net als in de binnenhof van de Sant’Ivo alla Sapienza, een plaquette ter herinnering aan een van de meest hevige overstromingen van de Tiber, in 1495.
Speciale vermelding verdient ook het huis van Tizio di Spoleto aan Piazza S. Eustachio; het beschilderde palazzo op de hoek met Via della Palombella. Tizio was de kamerheer van Alessandro Farnese aan het einde van de 16de eeuw. De fresco’s die de buitenmuren sieren zijn gemaakt door Taddeo Zuccari en dankzij recente restauraties in goede staat.
Romeins restje
Vlak voordat je het plein verlaat via de Via degli Staderari, zie je nog een fontein met een oud Romeins bassin. Het gigantische marmeren waterbekken werd, in acht stukken, in 1985 gevonden bij opgravingen in een aantal nabijgelegen palazzi. Archeologen concludeerden dat het ooit onderdeel moest zijn geweest van een thermengebouw dat tijdens het bewind van keizer Nero werd gebouwd (rond het jaar 62; tot het badhuis behoorden ook de twee gigantische zuilen die je nog kunt zien in Via S. di Eustachio).
*Dit is een aflevering in de wekelijkse serie ‘Straatverhalen van Rome’.*
‘Degrado e abbondono’ (aftakeling en verlating), ‘terra di nessuno’ (niemandsland): de Italiaanse krant Corriere della Sera liegt er niet om. In een artikel van maart van dit jaar concludeert een journalist dat er van de goede bedoelingen – een wandelgebied creëren, de ‘groene zone’ rond Augustus’ mausoleum herinrichten – voor Piazza Augusto Imperatore in het centrum van Rome weinig terecht is gekomen. Uitstel, geen afstel, zeggen de autoriteiten. Maar de voorziene kosten van ongeveer 17 miljoen euro in combinatie met de nog altijd toenemende economische crisis lijken nu toch vooral op dat laatste te wijzen.

Het mausoleum van Augustus op Piazza Augusto Imperatore. Foto: Wikimedia
Een vierkant plein
Misschien ben je er wel eens geweest; het wat vreemde, vierkante plein dat ingeklemd ligt tussen de Tiber en de drukke Via del Corso. In dat geval zul je waarschijnlijk denken dat het niet meer dan terecht is dat men niet nog eens 17 miljoen investeert in dit nogal onooglijke plein, met in het midden een verwaarloosde ruïne als bedorven kers op een ingestorte taart. Zoals altijd zit ware schoonheid echter van binnen. Om een eerlijk oordeel te kunnen vormen over de herstructureringsplannen, staat in de serie Straatverhalen van Rome vandaag Piazza Augusto Imperatore centraal – het Plein van Augustus de Imperator.
Bevrijd de monumenten!
Het is 21 April, 1924. Benito Mussolini spreekt op het Campidoglio-plein over ‘de problemen van Rome’. De grandeur van het antieke Rome moest weer zichtbaar worden door middel van de liberazione (bevrijding) van de monumenten uit de oudheid. Zo groots was het nieuwe Italië van Mussolini dat de hoofdstad in ere hersteld moest worden. De parallel met de macht van het oude Rome moest letterlijk zichtbaar zijn in de straten van de stad; de belangrijkste monumenten uit die tijd moesten daartoe worden ontdaan van ‘latere toevoegingen’ zodat ze ‘opnieuw onthuld’ werden. Want, zo meende Mussolini, voor het eerst sinds Augustus was Italië weer zo groot als het oude Rome. Natuurlijk koos hij daarbij precies die elementen uit de geschiedenis van Italië die het best ingezet konden worden om zijn eigen politiek/ideële boodschap te ondersteunen. De oude stenen van de stad kregen in hun nieuwe verband een nieuwe betekenislaag, die meer inzicht biedt in de sociale, politieke en maatschappelijke processen van Mussolini’s tijd dan in die van de oudheid.

De ‘bevrijding’ van Augustus’ mausoleum en de aanleg van Piazza Augusto Imperatore (1936). Foto: Roma Sparita
Een plein wordt geboren
Mussolini’s ideeën materialiseerden zo in het straatbeeld van Rome. Een van de belangrijkste en meest ingrijpende ‘bevrijdingsprojecten’ was de creatie van Piazza Augusto Imperatore. Waar nu het plein ligt, bevond zich nog geen 100 jaar geleden een dichtbevolkte woonwijk. De wirwar van straten en huizen kon echter niet aan Mussolini’s oog onttrekken dat zich hier een paar van de belangrijkste herinneringen schuilhielden aan zijn grote voorbeeld en inspiratie: keizer Augustus (27 v.Chr. – 14 n.Chr.). Overwoekerd door onkruid en begroeing stond hier, allereerst, Augustus’ laatste rustplaats, zijn mausoleum. Daarnaast: de Ara Pacis (Vredesaltaar), een van de symbolische hoogtepunten van het bouwprogramma van de Romeinse keizer.
Propagandamachine
27 jaar voor het begin van onze jaartelling slaagt Gaius Iulius Caesar Octavianus erin alle macht in Rome naar zich toe te trekken. Om zijn positie verder veilig te stellen – Rome is van oudsher een republiek en wars van despoten en alleenheersers – heeft Augustus een uitgebreide propagandamachine in het leven geroepen. Kunst en cultuur bloeiden op onder zijn bewind, niet alleen omdat er vrede in het rijk was en de welvaart letterlijk vanuit de veroverde gebieden bleef toestromen, maar ook omdat de keizer verschillende kunstvormen gebruikte voor zelfverheerlijking en daarmee een stimulans gaf aan de ontwikkeling ervan. Beroemd is de uitspraak van Suetonius dat Augustus ‘Een stad van baksteen aantrof, en er een van marmer achterliet’. Het uitgebreide bouwprogramma voor Rome droeg bij aan de propaganda van de keizer.

De locatie van Augustus’ mausoleum in het oude Rome (rode stip). Foto: Wikimedia
Na enkele militaire overwinningen in Gallië en Spanje keerde Augustus terug naar Rome. Hij had de rust in het hele rijk hersteld, wat zijn populariteit bij rijk en arm vergrootte. Daarom was het een slimme zet de door hem gebrachte vrede, de Pax Romana, zoveel mogelijk te gebruiken in zijn propaganda. Ter ere van de vrede liet hij de Ara Pacis (letterlijk: Altaar van de Vrede) bouwen. Het altaar, ingewijd in 9 v.Chr., zou een lofzang worden op de vrede en welvaart die Augustus het Romeinse rijk had gebracht. Deze boodschap werd verhuld in prachtige symbolische en mythologische reliëfs, die alle zijden van het altaar sierden.
De Ara Pacis stond niet op zichzelf. Het maakte deel uit van een groter bouwproject, dat Augustus op deze plek realiseerde. Hij liet hier ook zijn mausoleum, zijn eigen grafmonument, neerzetten en gaf opdracht tot de bouw van een zogenaamd horologium: een soort reusachtige klok in de vorm van een lange hoge obelisk. De tijdmeting gebeurde aan de hand van de schaduw van die pilaar, die als de wijzer van een klok over de omgeving viel.
9 blokken marmer
Augustus’ monumenten raakten in de eeuwen na de oudheid in de vergetelheid. Maar dan koopt een zekere kardinaal Giovanni Ricci uit Montepulciano – we zijn inmiddels in de 16de eeuw beland – negen blokken marmer op. Wat hij op dat moment niet wist, was dat zijn marmerblokken afkomstig waren van het vredesaltaar van keizer Augustus. Giovanni heeft nooit van zijn ‘vondst’ geweten: het zou nog eeuwen duren voordat de herkomst aan het licht kwam.
In 1859 kwamen, bij werkzaamheden in het Palazzo Peretti in Rome, fundamenten van het vredesaltaar aan het licht. Talloze fragmenten werden opgegraven en vonden direct een weg naar privéverzamelingen en musea over de hele wereld. Sommige delen werden verkocht aan de Galleria degli Uffizzi in Florence, andere aan het Louvre in Parijs. Pas in 1903 zouden alle brokstukken definitief herkend worden als behorend tot de beroemde Ara Pacis, dankzij de Duitse archeoloog Friedrich Von Duhn.
De fascisten grijpen in
Nu vond ook de Italiaanse overheid het tijd voor een officiële opgraving. Toen men ongeveer de helft van het monument had blootgelegd bleken de omstandigheden van de opgraving toch te complex: men staakte de operatie. Pas onder het fascistische bewind, in 1937, werd besloten, om de hierboven genoemde redenen, om de opgraving weer op te pakken. Maar dan groots.
Mussolini wilde het mausoleum van Augustus in oude glorie herstellen en veegde hiervoor een complete Romeinse stadswijk van de kaart. Ook de Ara Pacis moest opnieuw worden opgebouwd en hier worden geplaatst. Waar is hier? Het gloednieuwe Piazza Augusto Imperatore.
Tussen juni en september 1938 maakte architect Ballio Morpurgo alles gereed om de Ara Pacis opnieuw op te bouwen. Er werd een verhoging aangebracht waar het vredesaltaar op moest komen te staan, en een overdekking in de vorm van een portico moest beschutting bieden tegen regen en wind. Voor de gelegenheid werd de complete tekst van de Res Gestae, een beroemde inscriptie met daarop het publieke ‘testament’ van keizer Augustus, op een muur aangebracht. De (her)inauguratie van het monument werd, om de symboliek mooi af te ronden, gehouden op 23 september, de geboortedag van Augustus.

Morpurgo’s behuizing voor de Ara Pacis. Foto: Conoscere il bello
De rest van het plein werd geconstrueerd rondom het vervallen en door begroeiing overwoekerde mausoleum van Augustus. De galerijen die aan drie zijden rond het plein werden aangelegd, zijn typische voorbeelden van de strenge fascistische architectuur en werden versierd met reliëfs die dezelfde ideologie ondersteunden. Zoals gezegd werden voor het project alle bestaande woningen zonder al te veel scrupules van de kaart geveegd. De twee kerken mochten blijven staan en zijn in de plannen voor Piazza Augusto Imperatore geïntegreerd. Alle inspanningen ten spijt, raakten de monumenten die de glorie van het Rome van Augustus in herinnering moesten brengen, na het fascistische tijdperk ernstig in verval. Piazza Augusto Imperatore werd een verloederde plek, waar je zeker in de avonduren maar beter weg kon blijven. Had Augustus zich in zijn graf om kunnen draaien, dan had hij rondom voornamelijk zicht gehad op zwervers, prostituees en verslaafden. Een weinig keizerlijk uitzicht.
Pax Americana
Halverwege de jaren 90 van de vorige eeuw bleek dat uitlaatgassen en temperatuurstijgingen de Ara Pacis ernstig in gevaar hadden gebracht. In 1995 besloot de gemeente Rome dat het tijd was om de behuizing van de Ara Pacis, Morpurgo’s portico, te vervangen door een fatsoenlijk onderkomen.
Wat uit noodzaak werd geboren, werd een belangrijke en symbolische nieuwe stap in het bouwprogramma van Rome – alweer. De opdracht voor het ontwerp van de nieuwe behuizing ging naar Richard Meier, een beroemd Amerikaans architect.
De toenmalige burgemeester Rutelli, verantwoordelijk voor het project, wist dat de keuze voor een niet-Italiaanse architect met een voorkeur voor moderne, strakke, transparante constructies niet onopgemerkt voorbij zou gaan. Rome wordt toch, als ‘bakermat van de westerse beschaving’, een beetje beschouwd als erfgoed van iedereen. Daar kwam nog bij, dat er sinds Mussolini in het centrum van Rome niet één nieuw gebouw meer was gebouwd. Nu werd het symbool van de Pax Romana onder handen genomen door een vertegenwoordiger van de Pax Americana. Natuurlijk zou er kritiek komen.
Toch staat het ‘benzinestation’ – de weinig flatteuze bijnaam van het nieuwe Ara Pacis Museum – alweer jaren fier overeind. Maar met de plannen voor de rest van Piazza Augusto Imperatore is het, zoals de Corriere della Sera meldde, er bedroevend voor.

Piazza Augusto Imperatore, zoals het er in 2014 uit zou moeten zien. Foto: Urban File
Il grande imperatore
Volgend jaar herinnert Rome de tweeduizendste sterfdag van de keizer die baksteen in marmer veranderde – Augustus stierf op 19 augustus in 14 n.Chr. in het plaatsje Nola. Lilli Garrone, de journalist van de Corriere della Sera, gelooft er niet meer in en schaamt zich nu al voor het beeld dat de wereld voorgeschoteld zal worden – zoals zo vaak gebeurt zal Rome (Italië) volgens imagoschade lijden wanneer de wereld ziet hoe er wordt omgegaan met ‘la tomba del grande imperatore’.
De schaamte voorbij
Garrone representeert, denk ik, een grote groep Italianen wanneer ze spreekt van schaamte op het internationale toneel. Om dat voor te zijn, benadrukt ze maar vast dat ze zichzelf terdege bewust is van de ‘grootsheid’ van het verleden en het belang van de tombe. Daarmee plaatst ze zichzelf midden in het, uiteraard subjectieve, debat dat vooral gericht is op het historische belang van deze plek in Rome. Haar oproep is daarmee echter helaas aan een almaar dalend groepje toehoorders gericht. Helaas, maar ook begrijpelijk – Europa in het algemeen en Italië in het bijzonder maken een geweldige crisis door en alle uitgaven moeten meer dan ooit publiekelijk worden verantwoord.
Wellicht zou het daarom beter zijn als het genoemde ‘internationale toneel’, vanwaar de spelers vooral van comfortabele afstand verwijtend wijzen of honend lachen om wat er allemaal gebeurt in het land dat wij beschouwen als de bakermat van ‘onze’ beschaving, meer nadacht over een constructieve bijdrage aan het debat. Een bijdrage die niet gebukt gaat onder schaamte en lijmpogingen van een gebroken imago. Want misschien is het wel zo dat Piazza Augusto Imperatore in Rome niet van de ondergang gered moet worden vanwege de tombe van een man die het totalitarisme zo wat uitvond. Misschien is het zo dat er in Europa bijna geen enkele plek bestaat waar de loop van duizenden jaren geschiedenis zo nauw verweven is met stadsplanning en stedelijke architectuur. En misschien dat er daarom, filosofisch gezien, over hoe wij mensen leven in en uiting geven aan onze stedelijke omgeving, veel grotere inzichten te behalen vallen op deze plek in ‘ons’ Europa.
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.
Aan de oppervlakte lijkt Rome redelijk overzichtelijk, voor toeristen netjes ingedeeld in verschillende zones met elk zo hun eigen thema. Zo ga je naar de omgeving van de Capitoolheuvel om het oude Rome te ontdekken (Forum Romanum, Colosseum, Palatijn), kun je een middagje besteden aan barokke architectuur op en om Piazza Navona en de Trevifontein en ga je ’s avonds naar de wijk Trastevere om lekker op een terrasje te eten.

Piazza di Santa Maria in Trastevere, het hart van de wijk Trastevere (Foto: Wikimedia)
Natuurlijk is die overzichtelijkheid gemaakt en de werkelijkheid juist complex en chaotisch; overblijfselen uit de meest uiteenlopende historische periodes liggen vlak naast of onder elkaar; soms gaan ze zelfs naadloos in elkaar over. Rome is tegelijk de hel en de hemel voor archeologen: nu eens is de historische gelaagdheid in de grond prachtig zichtbaar omdat men letterlijk bovenop de fundamenten uit een eerdere periode heeft gebouwd, dan weer is het overzicht in de loop der eeuwen volledig verloren gegaan door her- en aanbouw, vernieling en hergebruik.
Buiten slapen

Ingang van de oude Romeinse ‘brandweer’
Trastevere, bijvoorbeeld, is een wijk die bijna uitsluitend wordt bezocht om te genieten van de gezellige eet- en drinkgelegenheden. De reputatie van uitgaanswijk, die het stadsdeel aan de andere kant van de Tiber al jaren heeft, is verdiend (alhoewel de toeristenstroom het ontstaan van minder authentieke etablissementen wel sterk heeft doen toenemen), maar natuurlijk vind je ook in Trastevere prachtige bezienswaardigheden en bijzondere verhalen uit het verleden.
Het hart van Trastevere, of eigenlijk de halsslagader, is de brede Viale Trastevere. Wij bewandelen vandaag echter een zijstraatje van die verkeersader: de Via della VII Coorte, de ‘straat van de zevende cohorte’.
Aan de Via della VII Coorte (nummer 9) bevindt zich de ingang van het Excubitorium dei Vigili, de zetel van Cohort VII – de brigade die in de Romeinse tijd belast was met het bewaken van de orde in dit stadsdeel. De Romeinse wijkagenten van Trastevere, zullen we maar zeggen. De benaming Excubitorium komt dan ook van het Latijnse ex cubare, oftewel ‘buiten slapen’ – de wacht houden dus.
De archeologische ontdekking
In het bijzonder werd Cohort VII, sinds de oprichting van de brigade rond het begin van onze jaartelling, geacht de brandveiligheid in de wijk te waarborgen. Het Excubitorium dat in de 19de eeuw door archeologen werd ontdekt, werd echter in de 2de eeuw n.Chr. gedateerd. De ontdekking van het gebouw was deels toevallig: men was eigenlijk bezig met restauratiewerkzaamheden aan andere kunstschatten.
Hoewel men aanvankelijk enthousiast was – de eerste onderzoekers die ter plekke waren, lazen verschillende Romeinse graffiti’s op de muren – werd de site toch al vrij snel verlaten en letterlijk aan het lot overgelaten. De jaren, de vochtigheid, de verwaarlozing; het deed de staat van de Romeinse opgraving allemaal geen goed. Een hele eeuw moest er voorbij gaan voordat men inzag dat er wellicht genoeg historische waarde kleefde aan dit erfgoed van de oude Romeinse brandweer; de site werd tijdelijk gesloten en men begon met restaureren. De graffiti’s op de muren waren inmiddels uiteraard onleesbaar of zelfs onzichtbaar geworden.
De trotse nachtwakersbrigade
De werkzaamheden tussen 1966 en 1986 leverden wel veel nieuwe informatie op. Het Excubitorium bleek inderdaad uit de keizertijd te dateren. Aanvankelijk was het waarschijnlijk in gebruik als privéwoning, maar aan het einde van de tweede eeuw werd het ingericht als ‘kazerne’ van de zevende cohorte, dat ook wel bekend stond als het Cohortes Vigilum. De brigade, met als werkgebied de oude Romeinse wijken Trans Tiberim (wijk XIV) en Circus Flaminius (wijk IX), werd in het jaar 6 door keizer Augustus in het leven geroepen. De cohorte was 7000 man sterk en werd aangevoerd door een stadsprefect. De zevende cohorte had een niet bepaald onbelangrijke taak: ze moesten de openbare veiligheid garanderen, zowel overdag als ’s nachts. In de praktijk van het oude Rome kwam dit vaak neer op brandbestrijding, maar ook bij opstootjes of andere ordeverstoringen traden ze op. Ubi dolor ibi Vigilum, zeiden ze trots: waar pijn is, zijn er bestrijders.

Binnen in het Excubitorium (Foto: Wikimedia)
8 meter onder de grond
De voormalige kazernes van Cohort VII van Rome bevinden zich op zo’n 8 meter onder het huidige straatniveau. Er is een grote hal waar eens een mozaïeken vloer in lag, waarop symbolisch werd verwezen naar de belangrijkste taak van de cohorte: het blussen van branden. Verder vind je verschillende ruimtes met architectonische versierselen, zoals pilasters met Korinthische kapitelen, en enkele fresco’s. Er is een aparte ruimte die waarschijnlijk toebehoorde aan de leidinggevenden van de brigade, zoals de nu verdwenen graffiti’s althans hebben doen vermoeden. Andere ruimtes zijn met meer zekerheid geïnterpreteerd; er zijn wat ‘barakken’ gevonden, maar ook een toiletruimte en een opslagruimte voor graan, olie en andere levensmiddelen.
Wisseling van de wacht, graag
De vele graffiti’s die de oude Romeinse brandweermannen achterlieten op de muren van het Excubitorium zijn, zoals gezegd, nog maar slecht leesbaar. Gelukkig zijn ze wel voor een groot deel gedocumenteerd. De leuzen werden tussen 215 en 245 n.Chr. op de muren geschreven, uiteraard allemaal juist op de momenten van rust of ‘pauze’ – wanneer men niet ‘buiten sliep’ of actief de wacht hield in de wijk. Over het algemeen zijn ze dus gericht op het leven in de kazerne. In sommige gevallen worden keizer of goden voor het een of ander bedankt, maar het meest tot de verbeelding spreken andere graffiti’s, de teksten die gaan over de sebacaria. Dit woord is uit andere contexten niet bekend en de interpretatie is dus wat onzeker, maar het lijkt te gaan om een bepaalde dienst die men moest draaien van maar liefst een maand. Risicovrij was deze dienst niet; de boodschap omnia tuta (alles goed) werd meerdere malen op de muren aangetroffen. Het was tevens een vermoeiende dienst, die veel van de mannen vroeg. Een van hen schreef op de muur: lassus sum successorem date – ik ben moe, geef me mijn vervanger.

Graffiti uit de ‘kazerne’ (CIL CIL VI 37247): Coh(ors) VII vigulum )(centuria) Flam(ini?) d(omino) n(ostro) Gordian/{n}o Aug(usto) et T(ito) Aviola co(n)s(ulibus)/ M(arcus) Antonius Alfius/ sebaciaria fecit mens (Foto: Wikimedia)
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.
Een wirwar van verhalen
Vandaag voert het straatverhaal naar Testaccio, een nog wat onontdekte wijk in Rome, die desalniettemin door insiders al fluisterend ‘het nieuwe Trastevere’ wordt genoemd. Testaccio is dan ook, veel meer inmiddels dan die gedoodverfde volkswijk over de Tiber, een authentieke en volkse buurt. Hart van de wijk was ooit het slachthuis (mattatoio), waar nu een museum huist voor contemporaine kunst. Daarnaast is Testaccio bekend van de schervenberg; de heuvel die bestaat uit miljoenen Romeinse potscherven, afkomstig van amforen die hier (de voormalige binnenhaven van de stad) kapot werden gesmeten omdat ze geen tweede keer te gebruiken waren.
Precies bij die Schervenberg loopt een straat met een simpele naam: Via Nicola Zabaglia. Zo onbeduidend – de naam zegt geen toerist iets – dat ik nooit had vermoed dat er zo’n wirwar aan verhalen achter schuilgaat.

Hefconstructie op de bouwplaats, naar een uitvinding van Nicola Zabaglia (foto: Look and Learn)
De paus die uit zijn koets viel
Die wirwar begint net buiten de grenzen van het Romeinse grondgebied, in Vaticaanstad. Op het Sint-Pietersplein, om precies te zijn. Het was 1725 en paus Benedictus XIII viel bijna uit zijn koets toen hij het plein voor de Sint-Pieter overstak. De koets was bijna omgeslagen omdat de bestrating er zo belabberd aan toe was; de keien waren ongelijk en de weg zat vol gevaarlijke gaten. Monsignor Ludovico Sergardi, opzichter bij de Fabbrica di San Pietro, het bouw- en onderhoudsbedrijf van de grote basiliek de Sint-Pieter, vond het welletjes: het plein moest voor eens en voor altijd geëffend worden en zou nieuwe bestrating krijgen.
Nicola de steigerbouwer
Hoe leidt de weg van de keitjes van het Sint-Pietersplein naar de Via Nicola Zabaglia in Testaccio? Welnu, in 1686 trad een zekere Nicola Zabaglia in dienst bij de genoemde Fabbrica di San Pietro. Nicola (1664-1750) begon als een eenvoudige metselaar maar wist zich al snel op te werken, vooral dankzij zijn talent voor het ontwerpen van bouwmachines en steigers, die uiteraard bij bouw- en onderhoudswerkzaamheden erg goed van pas kwamen (Michelangelo, bijvoorbeeld, beschilderde het plafond van de Sixtijnse Kapel op zijn rug, liggend op steigers). Hij was zo goed, dat Nicola een werkkamer toegewezen kreeg op de ‘zolder’ van de Sint-Pieter, recht boven het middenschip van de basiliek. Vanaf daar kon hij goed toezien op de onderhoudswerkzaamheden van de werknemers die hij inmiddels onder zijn hoede had (steenhouwers, metselaars en timmerlieden).
Omdat hij een clubje werknemers om zich heen had verzameld wordt Nicola ook wel gezien als een van de oprichters van de Sampietrini, een soort genootschap van metselaars en andere bouwlui in dienst van de Fabbrica di San Pietro, die in de loop der tijd een steeds duidelijker omlijst takenpakket kregen.

Sampietrini; de keitjes van Rome (foto: Wikimedia)
Toen Nicola de Confraternita dei Sampietrini mede vormgaf, had het woord sampietrini in Rome nog niet die andere betekenis, die nu veel bekender is in de stad. Sampietrini is namelijk de Italiaanse benaming voor de kleine keitjes, de donkergrijze, taps toelopende blokjes basalt, waarover je in veel straten en op veel pleinen van Rome wandelt. Ze worden zo genoemd omdat voor ze het eerst werden gebruikt bij de bestrating van het St. Pietersplein. En zo zijn we weer bij het begin van dit verhaal: dat gebeurde namelijk precies toen Ludovico Sergardi in 1725 de paus bijna uit zijn koets had zien kukelen.
Gladde steentjes
Tegenwoordig kunnen de sampietrini van Rome, als er net regen is gevallen, nog weleens gevaarlijk glad worden. Ironisch genoeg was het een van de leden van de Confraternita dei Sampietrini die in 1938 uitgleed, toen hij bezig was met een van de taken die al eeuwen aan de Sampietrini was toevertrouwd: het ontsteken van de fakkels rond de koepel van Sint-Pieter, die werden aangestoken ter gelegenheid van een religieuze feestdag. De arme ziel viel naar beneden en stierf. Pius XII was de zittende paus; hij liet de fakkels voorgoed vervangen door elektrische lampen. De fakkels zijn verdwenen, maar de keitjes op menig Romeins plein zijn een indirecte herinnering aan de Sampietrini van de Fabbrica, en aan die ene man naar wie een straat in de wijk Testaccio werd vernoemd.
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.

Monument voor Cola di Rienzo bij de Santa Maria in Aracoeli. Foto: Wikimedia
Precies tussen de Villa Borghese en de Sint-Pieter in Rome loopt een kaarsrechte weg, een winkelstraat met een naam die maar weinig toeristen iets zegt: Via Cola di Rienzo. Waar iedereen bij Julius Caesar en Augustus meteen beelden voor zich ziet van lauwerkransen en strijdwagens, weet men bij Cola di Rienzo eigenlijk niet eens of het wel een naam is…
Rome in de Middeleeuwen
Jazeker, en niet zomaar een. (Ni)Cola di Rienzo is de man die de 14de eeuw in Rome als geen ander kenmerkte. Om erachter te komen waarom, moeten we eerst nog wat verder terug in de tijd gaan, naar het Rome van de 12de eeuw, om precies te zijn.
Daar was namelijk het een en ander veranderd sinds de laatste keizers van het West-Romeinse rijk er de scepter hadden gezwaaid. Na eeuwen van onrust, invallen en elkaar bevechtende vreemde overheersers werd in de 12de eeuw duidelijk dat zich, naast de paus en een aantal adellijke families die van oudsher aanspraak maakten op politieke macht, langzaamaan een nieuwe machtige groep had gevormd vanuit de werkende klasse, de gewone burgers. Beoefenaars van dezelfde ambachten verzamelden zich in gilden en samen bleken ze inderdaad sterker dan alleen. Halverwege de eeuw mochten de verenigde Romeinse burgers zelfs een eigen senaat vormen van het Vaticaan – alhoewel de senatoren nog altijd door de paus aangewezen moesten worden. De burgerij (de comune) hield vergaderingen en rechtszaken en ze kozen het Capitool als thuisbasis (tot op de dag van vandaag zetelt daar het stadsbestuur).
Pausen in ballingschap
De pausen waren allang tevreden dat de burgers zich verder koest hielden – ze hadden al genoeg te stellen met de verschillende Europese vorsten die hen naar de kroon staken en de wereldlijke macht claimden in Rome. De situatie in Rome werd steeds penibeler, totdat Clemens V in 1309 een radicaal besluit nam: hij verhuisde de Heilige Stoel naar Avignon in Frankrijk. Daar genoot hij bescherming van zijn Franse familie en vond hij rust en veiligheid. Gedurende 70 jaar zouden de pausen in Avignon zetelen, een periode die de geschiedenis in ging als de ballingschap van de pausen.
Die situatie had zo zijn invloed op Rome: met het pauselijke gezag ver weg in Frankrijk regeerde de onrust en chaos in de eeuwige stad. De reputatie van Rome werd slechter en pelgrims bleven weg, evenals de bloeiende economische activiteit die zij altijd met zich mee hadden gebracht. Afnemende welvaart en afwezigheid van stabiel gezag zorgde voor een chaotische situatie in de stad.
Verlangen naar vroeger
Cola di Rienzo, geboren in 1313, groeide op in dat rusteloze Rome. Toen hij oud genoeg was om zich er druk over maken, uitte hij meerdere malen felle kritiek op de situatie. Wat was er gebeurd met het grootse, trotse Rome van weleer? Hoe kon men leven in deze puinhoop? Cola di Rienzo vond steeds meer gehoor: hij bleek welbespraakt te zijn en over een flinke dosis overredingskracht en charisma te beschikken.

Gedenkplaat bij het geboortehuis van Cola di Rienzo in Rome. Foto: Wikimedia
Zozeer zelfs dat hij in 1347, op nog geen 35-jarige leeftijd, de burgers van Rome opriep tot de stichting van een buono stato – een goede, fatsoenlijke staat. Op het Capitool, de thuisbasis van de comune, kondigde hij de stichting van ‘zijn’ Nieuwe Staat af. Orde en gezag zouden terugkeren in de straten van Rome. Om de nieuwe tijd te symboliseren liet Cola di Rienzo letterlijk een nieuw tijdperk beginnen: het was het jaar 1 van de Bevrijde Republiek. Rome was immers door hem ‘bevrijd’ van misdadigers en rovers, die al veel te lang de dienst uitmaakten. Omdat het weer veiliger werd, keerden de pelgrims langzaam terug naar de heilige plaatsen van de stad en durfden de kooplieden hun waren weer uit te stallen.
Verenigd Italië
Cola di Rienzo’s idealen waren echter groter dan Rome: hij wilde heel Italië verenigen, met Rome als trotse hoofdstad. Hij haalde alle Italiaanse vorsten naar Rome en liet zichzelf als leider behandelen. Zijn Nieuwe Italië was in zijn ogen al een feit. Maar hoe meer Cola di Rienzo zich een vorst voelde, hoe meer hij zich er als een ging gedragen. Zijn groeiende gevolg, zijn eigen leger; hij gaf geld uit alsof het water was en moest zijn oorlogen via belastingen zien te bekostigen. Steeds vaker werd er gefluisterd over de exorbitante uitgaven van de nieuwe leider. Het gemopper in de straten veranderde in een volksopstand en Cola di Rienzo werd verdreven.
Van de trappen gesleept
Jaren later, in 1354, durfde hij het aan terug te keren naar Rome – hij betrad de stad als afgezant van paus Innocentius VI. Hij kreeg de tweede kans waar hij om vroeg en wist de opnieuw orde op zaken te stellen in Rome. Maar de vele belastingen (op zout en wijn) die hij hief ontlokte wederom de woede van het volk. Cola di Rienzo kreeg de schuld van alles wat misging: onderaan het Capitool eiste de menigte op 8 oktober van 1354 zijn hoofd.
Tevergeefs probeerde Cola di Rienzo de woedende massa te ontvluchten, maar het mocht niet baten. De man die de grootste dromen had voor Rome, werd door de Romeinen overmeesterd en, zo zegt men, aan stukken gescheurd. Cola di Rienzo werd van de hoge trap van de Santa Maria in Aracoeli afgesleept en als een trofee van het volk opgehangen, te kijk voor iedereen. Bij die trappen in Rome vind je nog altijd een onopvallend beeld van Cola di Rienzo, waar dagelijks duizenden toeristen ongemerkt aan voorbij lopen.
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.
Vandaag wandelen we over de Via Alessandro Torlonia en nemen meteen een kijkje in het aangrenzende park dat dezelfde familienaam draagt, Villa Torlonia.

Casino Nobile, Villa Torlonia
DE FAMILIE TORLONIA
Sommige familienamen duiken in Rome zo vaak op dat je wel aanvoelt dat ze op de een of andere manier een stempel op de geschiedenis van de stad hebben gedrukt. Borghese, bijvoorbeeld, of Barberini. Een naam die wat minder bekend is, maar waar een straat en een heel park naar is vernoemd, is Torlonia.
Hoewel de Via Alessandro Torlonia even buiten het centrum van de stad ligt, aan de Via Nomentana, begint het verhaal van de familie hartje stad, bij de Spaanse Trappen. De familie Torlonia dreef daar, op Piazza di Spagna, handel in stoffen en kleermaken. Die handel floreerde zo dat de Torlonia’s het zich konden permitteren een eigen, kleine bank op te richten.
De vergaarde rijkdom leverde hen tevens een zekere status op: de familie Torlonia zou een van de laatste Romeinse families zijn die een adellijke titel van de paus ontving. De familienaam Torlonia is in de Romeinse volksmond in de loop der jaren synoniem geworden voor onmetelijke rijkdom.
PRACHTIG PARK
Giovanni Torlonia kocht in 1797 een wijngaard aan de Via Nomentana, een van de uitvalswegen van Rome. Hij liet het groene gebied door Giuseppe Valadier inrichten als een prachtig park, volgens de laatste Europese ‘mode’ in de landschapsarchitectuur. Villa Torlonia werd een oase van groen in de stad, met fonteinen, wandelpaden en een centraal landhuis (Casino Nobile). Tegenwoordig is het Casino Nobile een museum, waar je de kunstcollectie van de familie kunt bewonderen (onder andere werk van Canova) en waar momenteel de tentoonstelling Tesori di Luigi XIV. Arazzi di Raffaello, Vouet, Rubens e Le Brun huist.
EEN HUIS VOOR MUSSOLINI
Halverwege de 20ste eeuw, toen de familie Torlonia het Casino Nobile niet meer in gebruik hadden, vond een ander gezin er onderdak. Voor het symbolische bedrag van 1 Lire per jaar mocht de familie Mussolini er zijn intrek nemen. Tot ongeveer 1943 woonden ze er prinsheerlijk, maar vanaf de latere oorlogsjaren begon Benito Mussolini te vrezen voor zijn leven – en dat van zijn familie. Hij maakte van de wijnkelders in Villa Torlonia zijn schuilplaats; ze werden omgebouwd tot stevige bunkers. Nadat Mussolini en zijn gezin gevlucht waren werd het hele park van de Villa Torlonia in gebruik genomen door de geallieerden. De oorlog beschadigde het park flink, maar inmiddels is alles weer in oude glorie hersteld. Dit jaar wordt begonnen met een nieuw project in het park van de Villa Torlonia: het Museo della Shoah di Roma (het Holocaust Museum).
HET UILENHUISJE
Tegenwoordig is het park van de Villa Torlonia een heerlijk rustige, groene bezienswaardigheid in Rome, op gepaste afstand van de drukte van mega-monumenten als het Colosseum en de Sint-Pieter. Je kunt op het terras van La Limonaia een kopje koffie drinken of uitgebreid lunchen, een stukje wandelen tussen het groen en natuurlijk het museum bezoeken. Mijn persoonlijke favoriet ligt wat achter in het park verscholen: het Casina delle Civette, oftewel het ‘uilenhuisje’. Dit gebouw is een vreemd aandoende mix van architectonische stijlen, die het geheel een uiterlijk geven dat zowel aan Zwitserse Alpen als aan sprookjes doet denken.

Casina delle Civette (detail), Villa Torlonia
Tot 1938 was dit het huis van de ietwat zonderlinge Giovanni Torlonia junior. Het werd al in 1840 gebouwd in opdracht van Alessandro Torlonia en stond oorspronkelijk bekend als de ‘Capanna Svizzera’ (Zwitserse Hut), een informele plek om de wat stijvere villa af en toe te kunnen ontvluchten. Giovanni Junior, het neefje van Alessandro, liet echter van alles toevoegen aan het huisje, dat voortaan bekend kwam te staan als ‘Villaggio Medioevale’ (Middeleeuws Dorp). Weer later, in 1916, liet Giovanni allerlei uiltjes aanbrengen op en aan het huis. Zijn fascinatie voor deze vogels grensde aan obsessie, en het is vanaf dan dat de naam ‘Villino delle Civette’ (Huisje van de Uilen) in gebruik raakt. In de jaren daarna werden er nog verschillende aanpassingen gedaan, voornamelijk decoraties in Liberty-stijl. Het Uilenhuisje leed na de dood van Giovanni Junio zware schade: als gevolg van de tijdelijke bewoning door Amerikaanse troepen, van algehele verwaarlozing in de jaren daarna en van een brand in 1991. Dankzij grondige restauratiewerkzaamheden die tussen 1992 en 1997 plaatsvonden, is het Casina delle Civette echter weer in volle glorie hersteld.
VILLA TORLONIA BEZOEKEN
Musei di Villa Torlonia
Via Nomentana 70
Open: dinsdag t/m zondag 9.00-19.00 (de kassa sluit 45 minuten eerder)
Bezoek de website voor meer informatie