Griekse filosofie

This tag is associated with 5 posts

De paradigmawisseling van Parmenides

You live out the confusions until they become clear – Anais Nin (geïllustreerd door Lisa Congdon)

Gisteren introduceerden we Parmenides van Elea en beschreven we het filosofische gedicht dat hij achterliet. Daarin wordt duidelijk dat hij een fundamenteel verschil ziet tussen wat de ‘gewone’ stervelingen zien en ervaren, en wat ware kennis is.

To be or not to be: wat is, kan onmogelijk niet zijn

Parmenides krijgt van de godin die hem in het gedicht de waarheid openbaart het inzicht dat stervelingen samen een bedrieglijk samenhangend wereldbeeld opbouwen. Bedrieglijk, omdat ze eerst een fundamentele fout hebben gemaakt. In plaats van uit te gaan van het zijnde, dat is en onmogelijk niet kan zijn, menen zij over zijn en niet zijn te kunnen spreken. Maar wat is, kan logischerwijs niet verschillen van datgene (‘iets anders’) wat (‘ook’) is. Toch spreken de dwalende stervelingen almaar over wat is en wat niet is, over licht en donker, over leven en dood. Volgens Parmenides en het goddelijke inzicht dat hij als enige heeft verkregen, roepen de mensen de veelheid van de verschijnselen zelf in het leven door een denkwet te overtreden.

Wat is er ‘nieuw’ aan de filosofische ideeën van Parmenides? Hij zegt een theoretische denkhouding te hebben ontdekt, en zet deze in contrast met wat mensen ‘weten’ over de alledaagse ervaringswerkelijkheid. Hij presenteert dit inzicht als een soort hervonden verheven kennis. Parmenides heeft daarmee, wat je ook vindt van zijn ideeën, een nieuw terrein onder de filosofische aandacht gebracht. Hij heeft als een van de eerste (van wie werk is overgeleverd) het gebied van menselijke opvattingen en waarnemingen op een filosofische wijze beschouwd.

Parmenides raakte er daarbij van overtuigd dat mensen de mogelijkheid hebben om hogere kennis te verwerven, kennis die kwalitatief verschilt van de alledaagse kennis gebaseerd op ervaring en zintuiglijke waarneming. Kennis die niet berust op subjectieve meningen, maar die echte, objectieve grond vindt in het door Parmenides geïdealiseerde denkvermogen.

Een paradigmawisseling

De vraag die Parmenides zijn lezers in feite stelt is deze: aanvaard je hem als gids? Vertrouw je erop dat hij je zal leiden naar het ‘licht’? Of houd je liever de wereld waarin licht en donker beiden opeenvolgend voorkomen als de echte wereld? Heeft hij de waarheid ontdekt of is hij juist verstrikt geraakt in een web van zelf gecreëerde (gedachte) problemen?

De antwoorden op die vragen mag iedereen zelf uitmaken natuurlijk. Parmenides ziet hoe dan ook een fundamentele tegenstrijdigheid tussen de ervaringswerkelijkheid en het denken en kiest voor dat laatste. Alle verscheidenheid die zich aan de mens opdringt via zijn zintuigen, zelfs de uiteindelijke verscheidenheid die men ervaart tussen dode en levende materie, kun je logisch herleiden tot het zijnde, dat een is en heel is. Wanneer je leven en dood ziet als een combinatie, een naast elkaar bestaan van zijn en niet-zijn, dan is dat niets meer dan een door je zintuigen gecreëerde denkfout.

Een paradigmawisseling was voorgesteld.

Tussen Pythagoras en Plato: Parmenides

Parmenides, detail van De school van Athene door Rafael

Na Hesiodus, de natuurfilosofen uit Ionië en de school van Pythagoras betreden we bijna het tijdperk van de grote namen uit de ‘klassieke’ filosofie (Socrates, Plato, Aristoteles). Maar er ging nog iemand aan vooraf, die de geschiedenisboeken vaak niet heeft gehaald maar die op zijn manier ook de weg heeft bereid voor de ontwikkeling van de Griekse filosofie zoals we die kennen.

Parmenides van Elea leefde ongeveer tussen 515 en 450 voor Christus. Hij was zich dankzij een pythagorese leermeester gaan interesseren voor de filosofie en werd uiteindelijk zelf wijsgeer. Over zijn filosofische ideeën schreef hij een leergedicht van ongeveer 150 regels, dat alle eeuwen die hem van ons scheiden heeft weten te overleven.

De reis naar het licht

Het gedicht vertelt van een tocht, een reis die Parmenides ondernam in een wagen, begeleid door merries. Een reis die hem uit de duisternis voerde in de richting van het licht, in de richting van een godin die welwillend aan hem de Waarheid openbaart. Die waarheid gaat erover dat het waarlijk zijnde niets te maken heeft met de subjectieve ‘waarnemingen’ en ‘meningen’ van de gewone, dwalende stervelingen.

Parmenides’ gedicht is een soort allegorie, een wijsgerig traktaat dat anders is dan wat wij kennen van veel van zijn voorouders en tijdgenoten. Het is een zogenaamde ontologie in plaats van een kosmogonie, oftewel een zijnsleer in plaats van een beschrijving van de oorsprong van de zichtbare werkelijkheid. Daarin verschilt Parmenides dus van bijvoorbeeld de natuurfilosofen, die zich vooral bezighielden met de veelheid van verschijnselen die ze om zich heen waarnamen met hun zintuigen. Hoewel hij zelf aanvankelijk vooral geïnteresseerd was in de filosofische getallenleer van Pythagoras, kwam Parmenides uiteindelijk tot geheel eigen filosofische opvattingen, die hij nadrukkelijk als zodanig presenteerde en uiteenzette in zijn leerdicht. In dat gedicht presenteert zichzelf als de enige die ingewijd is in kennis van een ‘hogere’ orde. Dat alle stervelingen dwalen in onwetendheid.

De ontdekking van Parmenides

Wat heeft Parmenides dan, naar eigen zeggen, ontdekt? Dat maakt hij ons op symbolische wijze duidelijk, door een tocht te beschrijven uit een conditie van duisternis, die leidt naar het licht, naar een ander niveau van inzicht en kennis. Dat inzicht stijgt met kop en schouders uit boven de schijnkennis van de ronddwalende stervelingen. Het inzicht was dit: dat er zowel denkwegen als dwaalwegen zijn. Er is de weg van de (objectieve) waarheid en de weg van de (subjectieve) meningen. De weg van de waarheid is de enige juiste; de weg van de meningen komt altijd uit op niets, en beweegt zich in de zintuiglijk waarneembare wereld waarin ‘zijn’ kan bestaan naast ‘niet-zijn’ (licht naast donker, leven naast dood) – en dat bestaat niet.

De weg van de waarheid leidt juist naar het inzicht dat dat wat is, onmogelijk niet kan zijn. De weg kenmerkt zich juist door ongedifferentieerdheid en onvergankelijkheid. Wat is, kan onmogelijk niet zijn. Het kan ook niet geworden zijn, want dan zou het moeten zijn ontstaan uit iets dat niet is.

Als de weg van de meningen, van de zintuiglijke waarneming van verscheidenheid, zo bedrieglijk is, hoe kan het dan dat stervelingen altijd maar op die dwaalweg blijven?

Morgen lees je het antwoord op die vraag en meer over Parmenides!

 

De ‘natuurfilosofen’: 3 namen om te onthouden

Heraclitus door Johannes Moreelse

Griekenland bestond in de oudheid uit meer dan alleen het schiereiland en het grote aantal eilanden dat we er nu toe rekenen. Er was een overzees Griekenland, een streek genaamd Ionië, in het gebied dat wij nu Turkije noemen. Logischerwijs stond deze streek meer en directer in contact met de wereld van het (Nabije) Oosten, waar men zich al veel langer bezighield met zaken als astronomie, geometrie en sterrenkunde. Het is dan ook niet zo vreemd dat de eerste Griekse pogingen om de wereld vanuit een ander perspectief dan het mythische te verklaren, vanuit Ionië kwamen. Die eerste pogingen bestonden eruit, om de vele verschijnselen in de wereld om ons heen, die we met onze zintuigen waarnemen, te verklaren. Om al die verschijnselen uiteindelijk te herleiden tot een enkel oerprincipe.

Thales

Thales (die de geschiedenis in ging als Thales van Milete) leefde in de eerste helft van de zesde eeuw voor Christus. Hij was, volgens de weinige bronnen die er zijn, in het dagelijks leven koopman, staatsman en natuuronderzoeker. Hij beschikte over astronomische kennis, waarmee hij steeds meer roem vergaarde. Zo wist hij indruk te maken op zijn stadgenoten door een zonsverduistering te voorspellen. Hij berekende ook de hoogte van Egyptische piramides, door op een bepaald moment van de dag hun schaduw te meten.

Maar Thales was naast natuuronderzoeker ook iets wat wij tegenwoordig wijsgeer zouden noemen. Hij had zoals gezegd als een van de eerste Grieken kennis kunnen nemen  van de Oosterse wiskunde en sterrenkunde. Van zijn filosofische conclusies is helaas maar weinig bekend en er zijn geen geschriften van hem overgebleven. Wat ‘men zegt’ is dat hij, op de vraag wat het moeilijkst was van alles, geantwoord zou hebben: ‘zichzelf kennen’. Algemene filosofische stellingen kennen we niet van Thales, maar het is bekend dat hij water als de oerstof zag waaruit alles is voortgekomen. Het was voor hem overduidelijk dat alles uiteindelijk was terug te herleiden tot het oerprincipe water; juist water ondergaat immers van alle oerstoffen de meeste veranderingen (van ijs tot stoom).

Thales’ methode om de hoogte van een piramide te berekenen geïllustreerd

Anaximander

Anaximander was stad- en tijdgenoot van Thales en leefde ongeveer tussen 610 en 550 voor Christus. Hij schreef een werk getiteld Over de natuur, dat helaas niet bewaard is gebleven. Volgens Anaximander was het oerbeginsel van de wereld een onbepaald en onbegrensd iets (apeiron). De aarde zou volgens hem in het begin der tijden in een soort vloeibare staat hebben verkeerd. Later werd  het op aarde geleidelijk droog, zodat er allerlei levende wezens voortgebracht konden worden. Op een bepaalde manier kun je spreken van een soort hele vroege voorloper van de evolutieleer. Anaximander probeerde bovendien als een van de eersten de beweging van de hemellichamen als op een zuiver natuurkundige wijze te duiden.

Heraclitus

Even verderop, in het tegenwoordig meer bekende Efeze, werd rond het jaar 540 Heraclitus geboren. Ook hij deed verschillende pogingen om juist de eenheid te zien achter de veelheid van de werkelijkheid om ons heen. Van hem is de uitspraak ‘We kunnen niet tweemaal in dezelfde rivier afdalen’ bekend, waarmee hij de veranderlijkheid van alles wilde onderstrepen (want wanneer je er een tweede keer in stapt zijn er weer andere wateren toegestroomd en ook ben je zelf weer anders). Een uitspraak die misschien nog bekender is, met dezelfde strekking, is ‘Alles stroomt en niets blijft’.

Tijd en eeuwige verandering zijn belangrijke thema’s bij Heraclitus. Hij zocht steeds naar de eenheid achter dat onophoudelijk stromen, een soort oerwet die alles bindt.

Als oerbeginsel nam hij vuur aan. De wereld met al haar tegenstrijdigheden kwam volgens hem voort uit een soort oervuur, dat we meer als energie dan als letterlijk vuur moeten nemen,. Volgens Heraclitus heeft ieder ding tot zijn wezen een tegendeel nodig. Dat zijn scheppende spanningen, zonder welke wij niet kunnen bestaan. Hegel zou tweeduizend jaar later nog dankbaar gebruik van maken van de theorieën van Heraclitus.

 

Thales, Anaximander en Heraclitus zijn duidelijk met andere zaken bezig dan Hesiodus toen hij orde probeerde te scheppen in de godenwereld. Ze zijn alle drie duidelijk herkenbaar als filosoof: zij nemen immers allemaal een geheel nieuwe stelling in ten opzichte van de werkelijkheid waar ze deel van uitmaken. Ze worden in de geschiedenisboeken ook wel aangeduid als de zogenaamde ‘natuurfilosofen’ – zij die in de natuur zochten naar een filosofische waarheid, een alomvattend oerprincipe. De natuurfilosofen trekken uit die nieuwe houding echter (nog) niet de vergaande conclusies die toekomstige filosofen als Plato en Aristoteles zullen doen. Maar het leidt geen twijfel dat de nieuwe benadering van Thales en zijn tijdgenoten al wel iets weg heeft van de theoretische denkhouding die in de eeuwen hierna gaat komen.

Als Plato zou twitteren

‘Authenticity is more than speaking. It’s also about doing. Every decision we make says something about who we are.’

Zo twitterde Simon Sinek, auteur van de Amerikaanse bestseller Start with why, deze week.

Plato himself zou die tweet de wereld in hebben kunnen sturen, als hij de middelen had gehad. De meest bekwame speakers van zijn tijd, de sofisten, moesten er in zijn werk bijna allemaal aan geloven. Spreken was, ook volgens Plato, niet genoeg. Sterker nog: met wat de sofisten deden, als reizende leraren rondtrekken en – tegen betaling nota bene – lesgeven in onder andere welsprekendheid, zouden ze volgens Plato nooit tot waarlijk filosofische inzichten komen.

Een van de beroemdste sofisten tegen wie Plato het opnam was Protagoras. Zijn belangrijkste stelling was dat de mens de maatstaf van alle dingen is. Dat wil zeggen: voor ons mensen bestaat er geen absolute waarheid; er bestaat enkel subjectiviteit zoals die door individuele mensen kan worden gezien of ervaren. Maar waar de sofisten geen algemeen geldende maatstaven zien voor het denken en handelen van de mens, ziet Plato juist een schone taak voor de filosoof. Hij zag de maatstaf en wilde iedereen de weg ernaar toe wijzen.

De maat voor het denken en handelen van de mens, zo meent Plato, kun je vinden wanneer je kennis neemt van de eeuwige Ideeën. Een beetje een krakkemikkige vertaling van het Griekse eidos of idea, want je moet hierbij zeker niet direct aan ‘onze’ betekenis van het woord ideeën denken, maar eerder aan vormen van het Zijn. Omdat Plato zelf ook wel inzag dat deze ‘Ideeënleer’ velen de pet wat te boven ging, bedacht hij een allegorie om het te verduidelijken. Voor wie ook wat meer uitleg nodig heeft, volgt hier in verkorte vorm de allegorische uitleg van Plato:

‘Onze natuurlijke toestand wat ontwikkeling betreft zou je met de volgende situatie kunnen vergelijken. Stel je een aantal mensen voor in een onderaardse, grotachtige woning, met een naar het daglicht toegekeerde ingang langs de volle breedte van de grot. Ze zijn daar van jons af aan opgesloten, aan handen en voeten en aan hun nek geboeid, zodat ze daar moeten blijven en alleen recht voor zich uit kunnen kijken, want vanwege die boeien zijn ze niet in staat zich om te draaien.
Verder is er licht van een vuur dat hoog en ver boven hen brandt, in hun rug, en tussen het vuur en de gevangenen een weg in de hoogte, waarlangs je je moet voorstellen dat een muurtje is aangelegd, zoals bij een poppenkast vóór het publiek een scheidswand staat waarboven de poppen worden vertoond. Langs dat muurtje moet je nu mensen allerlei voorwerpen zien dragen, die boven het muurtje uitsteken, en beelden van mensen en dieren, gemaakt van steen en van hout en van allerlei ander materiaal, waarbij sommigen van die mensen natuurlijk praten en anderen zwijgen. Een vreemde vergelijking en een vreemde gevangenis, zul je zeggen, maar die mensen lijken op ons.’

Detail van 'De School van Athene' door Rafael; de man met de lange grijze baard moet Plato voorstellen

‘Want wat dacht je, hebben zulke mensen om te beginnen van zichzelf of van elkaar ooit iets anders gezien dan de schaduwen die door het vuur op de tegenover hen liggende wand van de grot worden geworpen? Als ze inderdaad gedwongen zijn hun hele leven hun hoofd onbeweeglijk te houden is dat onmogelijk. En hetzelfde geldt natuurlijk voor de dingen die langs gedragen worden…
Dus als ze in staat zouden zijn  met elkaar te praten, denken ze ongetwijfeld dat ze praten over de dingen die ze op de muur zagen. En als er in de gevangenis ook een echo was van die tegenoverliggende wand, geloof je niet dat ze dan, wanneer een van die voorbijgangers spreekt, zouden denken dat het geluid werd gemaakt door de passerende schaduw? Dat lijkt me logisch. Zulke mensen zullen er ongetwijfeld van uitgaan dat de werkelijkheid niets anders is dan de schaduwen van die voorwerpen. ‘

‘Stel je nu eens hun genezing voor, hun bevrijding uit die gevangenis van onwetendheid. Hoe zou die toegaan als hen in het werkelijke leven het volgende overkwam? Wanneer iemand werd losgemaakt en gedwongen plotseling op te staan, zijn hoofd om te draaien, te lopen en naar het licht op te kijken, en al die handelingen hem pijn zouden doen en hij door de schittering niet in staat zou zijn de voorwerpen te onderscheiden waarvan hij tot dusver de schaduwen had gezien, hoe zou hij dan, denk je, reageren als men hem zou vertellen dat het maar flauwekul was wat hij tot op dat moment had gezien, en dat hij nu dichter bij de werkelijkheid was en een juistere kijk had op de dingen, omdat zijn blik nu was gericht op echte voorwerpen? En als men hem dan ook nog elk voorwerp dat langskwam zou aanwijzen en hem zou dwingen vragen te beantwoorden over wat dat was, geloof je niet dat hij dan met zijn mond vol tanden zou staan en zou denken dat wat hij tot dusver had gezien eerder echt was dan wat men hem nu aanwees?’*

Wij, de sofisten en alle andere mensen die niet via de weg van de filosofie kennis hebben genomen van de Ideeën, de eeuwige oerbeelden, leven in de gevangenis van Plato’s grot. Dat je met praatjes geen gaatjes vult mag Plato dan eens zijn geweest met Simon Sinek, met wiens tweet ik dit stukje opende. Maar Plato vraagt nog veel meer van zijn medemens, namelijk om zich los te maken uit hun ketenen, hun hoofden om te draaien en te kijken naar het licht, naar de werkelijke (metafysische) werkelijkheid in plaats van naar de schaduwen op de muur.

Of Plato die tweet had kunnen sturen… Het hele fenomeen Twitter had hij, bij nader inzien, misschien wel als een extreme, digitale versie van zijn grot beschouwd.

* De vertaling is van Gerard Koolschijn, zoals weergegeven in De geschiedenis van de filosofie van Hans Joachim Störig (Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum)

Luister niet naar iedereen (maar wel naar Socrates)

Vijf van de zeven dagen in de week, dat wil zeggen zo’n 70% van de tijd die we tot onze beschikking hebben, zijn de meesten van ons ‘aan het werk’ of ‘op het werk’. Werken, in welke vorm dan ook, is de meest belangrijke vorm van tijdbesteding die er is en voor ons (mensen anno nu) is dat de normaalste zaak van de wereld. Voor mensen anno vroeger was het dat ook. Het is daarom moeilijk je voor te stellen dat je je helemaal aan het werkende, en het daaraan gekoppelde sociale of beschaafde leven zou onttrekken.

Een man gaf ooit openlijk toe: ‘(Ik heb) verwaarloosd wat de meeste mensen doen: geld verdienen en het voeren van een huishouding, het verwerven van militaire commando’s, leidersposities en de andere ambten en zich inlaten met politieke clubs en omwentelingen die zich in de staat afspelen.’

Socrates sprak de woorden tijdens de rechtszaak (399 voor Christus) die zou bepalen of hij inderdaad, zoals zijn aanklagers beweerden, de sociale structuur van Athene ondermijnde, of hij rebellie voedde bij jongemannen en brave burgers. De eis: de doodstraf.

Loyaliteitsproblemen had Socrates bepaald niet. Hij was alleen niet onvoorwaardelijk loyaal aan de Atheense staat, maar aan de filosofie. Zijn beweegredenen waren echter zuiver en de staat goed gezind: ‘Wat ik doe op mijn rondgang is niets anders dan jongeren en ouderen van u overreden om niet allereerst te zorgen voor uw lichaam of geld en niet in zo hoge mate als voor uw ziel.’

Socrates vond dat wat de meeste mensen doen, niet perse het beste was. Hij had ontdekt dat mensen geneigd zijn gedachten en conclusies die met gezag worden verkondigd aan te nemen, zonder te controleren of ze deugdelijk waren of aandacht te hebben voor hoe ze tot stand zijn gekomen. Tijdens zijn ‘rondgang’ door Athene bracht hij deze ontdekking in de praktijk: hij sprak mensen aan en testte de houdbaarheid van de stellingen van zijn gesprekspartners door eindeloos vragen te stellen. Net zo lang, totdat de gesprekspartner met zijn eigen woorden zijn eigen stelling had ontkracht.

Socrates zag in dat de status quo nooit in twijfel wordt getrokken omdat dat wat algemeen aanvaard wordt, op één lijn wordt gesteld met dat wat juist is. Toen hij eenmaal was aangeklaagd raakte Socrates zijn zelfvertrouwen, dat hij ontleende aan de filosofie, niet kwijt.

Hij had natuurlijk afstand kunnen doen van wat hij deed en waar hij in geloofde om zijn eigen leven te redden. Hij had aan de doodstraf kunnen ontkomen, als hij dat echt had gewild. In plaats daarvan eindigde hij zijn pleidooi met de woorden: ‘Want als je mij doodt, zult je niet snel weer zo iemand vinden die, al klinkt het lachwekkend, volkomen de stad is toegewezen door de god, als aan een groot en edel paard dat door zijn grootte te traag is en nodig heeft om door een paardenvlieg wakker gemaakt te worden… Als je naar mij luistert, zul je me sparen. Misschien zul je geërgerd, zoals dommelaars die gewekt worden, gehoor geven aan Anytus en me zo maar met een slaag doden en dan uw verder leven door slapen.’

Socrates pleegt gedwongen zelfmoord in het bijzijn van zijn vrienden (Jacques Louis David, 1787)

Stel je voor dat je iets doet waarvan werkelijk iedereen zegt: dat zou je niet moeten doen, zo hoort het niet. Mensen zijn groepsdieren en in hoge mate gericht op (im)populariteit; niemand wil immers buiten de groep vallen. De mening van de meerderheid telt. Maar wat als je niet zonder reserves naar anderen zou luisteren? Wat als je met jezelf afspreekt om, zoals Socrates, altijd eerst te bepalen hoe zwaar je iemands kritiek of afkeuring weegt op basis van de deugdelijkheid van iemands denkwijze? Want waar berust zijn of haar kritiek op? Waarom zijn wij mensen geneigd om naar iedereen te luisteren, terwijl we met ons gezonde verstand kunnen afwegen of opgeworpen bezwaren wel hout snijden?

We hoeven niet allemaal, zoals Socrates, blootsvoets door de straten trekken, onze persoonlijke hygiëne verwaarlozen en willekeurig mensen aanspreken om hen te onderwerpen aan een vragenvuur over het waarom en de zin van het leven. Werken om te leven is bepaald geen zonde. Maar als je dan maar 30% van je tijd vrij te besteden hebt, gebruik die tijd dan in elk geval om na te denken over Socrates’ advies: wees niet volgzaam, neem niets zomaar voor waar aan en vooral: luister niet naar iedereen.

 

 

Nominaties

Orpheus kijkt om werd in 2012 genomineerd voor een Travvies Award en voor de Geschiedenis Online Prijs.

Laatste tweets

Op de hoogte blijven? Laat je mailadres achter en ontvang de nieuwsbrief!

Join 871 other followers

Onlangs besproken:

Verjaardag