Boekenweek

This tag is associated with 10 posts

De weg van Mecenas

In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.

Omdat het Boekenweek is, bewandelen we vandaag een straat die vernoemd is naar een kunstliefhebber pur sang; de man die beroemd werd als beschermheer van Romeinse schrijvers en dichters. Welkom op de Via Mecenate, de ‘Weg van Maecenas’.

Maecenas presenteert de vrije kunsten aan Augustus, Giovanni Battista Tiepolo (1696-1770)

Maecenas presenteert de vrije kunsten aan Augustus, Giovanni Battista Tiepolo (1696-1770)

 

MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Keizer Augustus (63 v.Chr.-14 n.Chr.) stond erom bekend de rust en vrede te hebben teruggebracht in het Romeinse rijk. De pax augustea, de ‘vrede van Augustus’, was meer dan welkom na decennia van burgeroorlogen en onrust. De rust in het rijk en in Rome ging gepaard met groeiende welvaart; perfecte omstandigheden voor kunst en cultuur om op te bloeien. Dat gebeurde, niet in de laatste plaats omdat het door de keizer zelf gestimuleerd en toegejuicht werd.

Onder keizer Augustus diende een zekere Gaius Cilnius Maecenas, een telg uit een rijke familie van Etruskische oorsprong. Maecenas trad vaak op als Augustus’ vertegenwoordiger op buitenlandse reizen, die de keizer onmogelijk allemaal zelf kon maken. Een soort minister van buitenlandse zaken avant-la-lettre, dus. Maar Maecenas was meer dan dat; hij had zich dankzij zijn diplomatieke talent opgewerkt tot persoonlijk adviseur, vertrouweling en vriend van de keizer.

Ligging van ruïnes en opgravingen ten opzichte van de moderne plattegrond van Rome (kaart uit 1897)

Ligging van ruïnes en opgravingen (incl. de Tuinen van Maecenas) t.o.v. de moderne plattegrond van Rome (kaart uit 1897)

 

LITERAIRE KRING

Nog voordat zijn politieke carrière die vlucht had genomen, besteedde Maecenas de rijkdom die hij van huis uit had meegekregen aan zijn grote liefde: dichtkunst en literatuur. Op de Esquilijn in Rome liet hij een riante villa bouwen met prachtige tuinen. De horti maecenatis werden ze genoemd, beroemd geworden als de plek waar Maecenas de grootste dichters van zijn tijd bijeen bracht (Vergilius, Propertius en Horatius). Maecenas creëerde zo een literaire kring en maakte zijn eigen huis het centrum ervan. En wie denkt dat men daar enkel hoogdravende poëtische voordrachten hield, heeft het mis; de uitbundige feesten die Maecenas organiseerde op de Esquilijn waren bijna net zo beroemd als zijn diplomatieke talenten.

Politiek en kunst kwamen niet alleen figuurlijk samen in de persoon van Maecenas, maar ook letterlijk: als boezemvriend van Augustus zorgde hij ervoor dat de literaire talenten van mannen als Vergilius en Horatius werden aangewend in de propagandamachine van de keizer. De schrijvers waren financieel afhankelijk van het duo Maecenas-Augustus en wisten onder hun bescherming sommige van de grootste meesterwerken van de oudheid te creëren. Maecenas ging de geschiedenis in als de eerste sponsor van de kunsten. Zijn naam leeft nog altijd voort in onze en andere talen: mecenas is het algemene woord voor een patroon van de kunsten geworden.

 

ONDER DE GROND

Maecenas-auditorium

Het ‘Auditorium van Mecenas’

 

Hoofd van een Amazone, Sala degli Orti Mecenate (Capitolijnse Musea)

Hoofd van een Amazone, Sala degli Orti Mecenate (Capitolijnse Musea)

Maecenas’ villa werd gebouwd tussen 42 en 35 v.Chr. op de eerdergenoemde Esquilijnse heuvel in Rome, precies in het gebied waar de huidige Via Mecenate loopt (Mecenate = Italiaans voor Mecenas). Ondanks de beruchte overdadigheid van het complex en vooral van de tuinen (er zou een wijngaard bij aangelegd zijn, en een zwembad gevuld met warm, thermaal water), is er weinig teruggevonden van de villa en horti maecenatis. Het zogenaamde Auditorium van Maecenas, bij opgravingen in de 19de eeuw gevonden, is alles wat er rest, althans als de interpretatie van deze ondergrondse ruimte als zodanig klopt. Het gaat om een grote zaal met apsis en verschillende constructies voor de aanvoer van water, die misschien niet als ‘autitorium’ diende, maar als eetzaal (triclinium).

In de omgeving zijn in diezelfde eeuw nog wel verschillende significante vondsten gedaan. Veel daarvan vind je tegenwoordig terug in de Capitolijnse Musea, waar een hele zaal is gewijd aan de Tuinen van Mecenas (Sala degli Orti di Mecenate). Hier kun je de mozaïeken, sculpturen en andere kunstwerken bewonderen die de riante stadsvilla eens gesierd moeten hebben. Of ze allemaal aan de patroon van het huis, tegelijkertijd patroon van de kunsten in het algemeen, toebehoorden, is misschien niet met zekerheid te zeggen. Maar wie de Via Mecenate in Rome bewandelt, stapt zeker in de voetsporen van Vergilius, Horatius, Propertius en Maecenas, die, gebonden door hun liefde voor de kunsten, tweeduizend jaar geleden op precies die heuvel samenkwamen.

 

 

‘Mannen, ons leven loopt gevaar’

Vandaag sluiten we de Boekenweek, die in het teken stond van ‘Vriendschap en andere ongemakken’, af met misschien wel de 12 beste vrienden die ooit op aarde rondliepen: de apostelen. We volgen een van de meest gedrevenen onder hen, Paulus, die meer dan zestienduizend (!) kilometer reisde (waarvan zevenduizend te voet), om overal waar hij kwam de blijde boodschap te verkondigen van zijn vriend en leraar, van wie hij geloofde dat het Gods zoon op aarde was.

De apostel Paulus door Rembrandt van Rijn (© Wikipedia)

Wanneer Paulus, geboren in een streng joods gezin, in 61 na Christus wordt aangeklaagd wegens een eerdere overtreding van de wet van Mozes, beroept hij zich als Romeins burger op de keizer. De procurator stuurt hem als antwoord naar de keizer zelf toe, en een lange zeereis naar Rome begint. In het boek Handelingen wordt de zeereis beschreven, niet alleen als zodanig maar ook als een metafysische reis volgens Gods plan, die de definitieve doorbraak van het Christendom in Rome zou betekenen.

Het ‘ooggetuigenverslag’ van de reis kan op symbolisch niveau natuurlijk van alles betekenen, maar het leest ook simpelweg als een spannend zeemansverhaal. We hebben het immers over een lange, barre tocht over zee, gemaakt in de eerste eeuw na Christus:

‘Toen er al heel wat tijd was verstreken en het duidelijk was dat het gevaarlijk was om een zeereis te maken omdat de vasten al voorbij was, waarschuwde Paulus de opvarenden met de volgende woorden: ‘Mannen, ik zie dat verder varen grote problemen met zich meebrengt, niet alleen de lading en het schip dreigen verloren te gaan, ook ons leven loopt gevaar.’
Maar de centurio stelde meer vertrouwen in de stuurman en de schipper dan in de woorden van Paulus. En omdat de haven niet geschikt was om er een winter lang te blijven, adviseerden de meesten om vandaar weg te varen en te proberen naar Phoinix te varen en daar te overwinteren.’

Natuurlijk had men naar Paulus moeten luisteren, want al snel stak er een gemene aflandige wind op. ‘Het schip werd meegesleurd en omdat de storm ons verhinderde door de wind te gaan en te gaan bijliggen, lieten wij ons met de wind en zee wegdrijven. Door onder lij van een eilandje, Clauda genaamd, te lopen, zagen wij met moeite kans de bijboot onder controle te krijgen en scheep te halen. En nadat de boot aan dek was gehesen, namen zij hulpmiddelen te baat en spanden verstevigingskabels overdwars om de kiel van het schip heen. Bang op de Syrte terecht te komen, brachten ze een drijfanker uit en liepen voor wind en zee weg. Omdat we door wind en golven hevig slingerden, zetten ze de volgende dag lading overboord. En op de derde dag wierp de bemanning eigenhandig het scheepstuig in zee. Omdat zon en sterren meerdere dagen achter wolken verscholen waren en de stormwind in alle hevigheid woedde, werd ons de laatste hoop op redding ontnomen.’

Paulus had gelijk gehad en wist de leiding naar zich toe te trekken. Na veel omzwervingen en bemoedigende woorden zouden ze de reis uiteindelijk voltooien en Rome bereiken: ‘Na drie maanden voeren wij weg op een schip uit Alexandrië, dat daar in de winter had gelegen. De Dioscuren waren het boegbeeld. We bereikten Syracuse, waar we drie dagen bleven. Vervolgens lichtten we het anker weer en kwamen aan in Rhegium. Na een dag begon er een zuidenwind te waaien, zodat we binnen twee dagen in Puteoli aankwamen. Hier troffen wij broeders en we werden uitgenodigd om zeven dagen bij hen te blijven. En zo gingen we op weg naar Rome.’

Of Paulus in Rome werd vrijgesproken, weten we niet. Sommigen zeggen dat hij de marteldood stierf onder keizer Nero in het jaar 67. Hij zou zijn onthoofd en begraven net buiten de stadsmuren van Rome, op de plek waar nu de San Paolo fuori le Mura, de Heilige Paulus buiten de Muren, staat.

 

De fragmenten zijn afkomstig uit:


Klassiek toerisme
Reizen met Odysseus, Aeneas en Hannibal
Samengesteld en ingeleid door Harm-Jan van Dam en Hans Smolenaars (2001)

Verder lezen:


De Middellandse Zee
Fik Meijer

 

Rome-tip #4: volg de route van de godenzonen

De Dioscuren, de zonen van Zeus, werden ze ook wel genoemd. In werkelijkheid was slechts een van de twee broers van goddelijke komaf: Castor was de zoon van de schone Lena (moeder van Helena) en Tyndarëus van Sparta, maar Zeus zelf was de vader van Pollux (Grieks: Polydeuces). Het noodlottige gevolg was dat de een onsterfelijk, en de ander sterfelijk was.

Castor en Pollux waren onafscheidelijk en in uiterlijk elkaars gelijke. Als duo duiken ze op in verschillende verhalen uit de Griekse mythologie: ze bevrijdde hun zuster Helena uit de handen van Theseus, namen deel aan de jacht op het Calydonische zwijn en volgende Jason in zijn tocht der Argonauten. Ze trokken veel op met een ander broederpaar, hun neven Lynceus en Idas, waarmee ze eens een kudde runderen roofden. Bij de verdeling van de buit ontstonden onenigheden waarbij de Dioscuren uiteindelijk met niets achterbleven. Omdat ze dit niet konden verkroppen namen ze wraak en ontvoerden de verloofden van Lynceus en Idas. Deze laatsten zetten uiteraard direct de achtervolging in. Een hevige strijd volgde, en Castor werd geraakt door de werpspies van Idas. Pollux hield, wat ze ook probeerden, onverschrokken stand. Pollux op zijn beurt wist Lynceus dodelijk te raken. Hij bleef over met Idas, twee mannen die overkookten van woede, klaar om de dood van hun broers te wreken.

Uiteindelijk zou Zeus zelf ingrijpen door een bliksemschicht op Idas af te vuren. De vreugde en dankbaarheid waren van korte duur, want weldra realiseerde hij zich dat hij voortaan zonder zijn geliefde broer verder zou moeten. Hij richtte zijn blik omhoog, naar zijn hemelse vader, en smeekte: ‘O, vader, laat mij met hem, mijn liefste vriend, meegaan naar het rijk der schimmen!’ Zeus antwoordde hem dat hij nu eenmaal onsterfelijk was, maar dat hij hem de mogelijkheid gaf om de helft van de tijd bij de goden op de Olympus te vertoeven, en de andere helft in de donkere onderwereld, aan de zijde van zijn broer.

In Rome kun je een route lopen in de voetsporen van de Dioscuren. Door de eeuwen heen is het duo steeds onafscheidelijke gebleven; overal waar je Castor ziet, is Pollux niet ver. De route voert je dwars door het historische centrum van Rome, van het Forum Romanum tot aan de Villa Borghese.

Forum Romanum
Ze prijken prominent boven de rest uit en domineren de ‘skyline’ van het Forum Romanum: de drie rechtopstaande Korinthische zuilen. Het is alles wat over is van de tempel van Castor en Pollux, opgericht ter ere van twee broers vanwege hun legendarische bijdrage aan de slag bij het meer van Regillus.

De drie zuilen van de tempel van Castor en Pollux op het Forum Romanum (© Wikipedia)

Forum Romanum -> Capitool
Van het Forum Romanum is het maar een klein stukje lopen naar het Capitool, waar bovenaan de trap die naar het Piazza del Campidoglio leidt de doorgang wordt bewaakt door twee reusachtige beelden van Castor en Pollux. De beelden dateren uit de late keizertijd en sierden eens een tempel gewijd aan de Dioscuren.

De Dioscuren op het Campidoglio (© Wikipedia)

Capitool -> Quirinaal
We gaan verder en nemen de Via 24 Maggio richting weer een andere van de zeven heuvels van Rome. Midden op het Quirinaal, waar zich ook de presidentiële residentie bevindt, staat een enorme obelisk die wordt geflankeerd door twee enorme beelden van Castor en Pollux. Domenico Fontana legde het plein in opdracht van paus Sixtus V aan en liet speciaal daarvoor de antieke beelden restaureren.

Castor en Pollux op het Piazza del Quirinale (© Christopher Ramos )

Quirinaal -> Villa Borghese
We sluiten af in de groene omgeving van de Villa Borghese, het stadspark aan de noordkant van het centrum. In de Galleria Borghese zien we Castor en Pollux zoals we ze in gebeeldhouwde vorm nog niet eerder zijn tegengekomen: als twee kleine peuters aan de rok van hun moeder. Het schilderij in de Galleria Borghese, met de titel Leda en de zwaan, is gemaakt naar een origineel van Leonardo da Vinci, waarschijnlijk door een van zijn leerlingen (Cesare da Sesto?).

Leda, de zwaan en de kleine Castor en Pollux in de Galleria Borghese (© Wikipedia)

De 3 voorwaarden voor echte vriendschap

In het kader van de Boekenweek verscheen deze maand bij Uitgeverij Athenaeum een nieuwe Nederlandse vertaling van Cicero’s Vriendschap. Het Boekenweekthema ‘Vriendschap en andere ongemakken’ is wel heel erg van toepassing op de Romeinse advocaat en redenaar. Hij was eens het doelwit van een samenzwering onder leiding van zijn mede-senator Catilina, die op het nippertje voorkomen had kunnen worden. Het leverde Cicero in elk geval genoeg voer voor een aantal (beroemd geworden) redevoeringen, tegen Catilina. ‘Vriendschap’ was sowieso in de wandelgangen van de Romeinse senaat een rekbaar en soms ronduit gevaarlijk begrip. In de broeiende rivaliteit tussen Julius Caesar en Gnaeus Pompeius, twee veldheren die uiteindelijk openbaar om de macht zouden strijden, werden alle hooggeplaatste Romeinen gedwongen kant te kiezen. Cicero zette zijn geld op het verkeerde paard.

Aan politieke ‘vriendschappen’ zal Cicero dus een broertje dood gehad hebben. Over echte vriendschap had hij wel hele duidelijke ideeën, die hij opschreef en verzamelde – en die nu in de genoemde nieuwe Nederlandse vertaling te lezen zijn. In drie fragmenten uit dat werk zet de grote redenaar de randvoorwaarden voor échte vriendschap onder elkaar. En hij kan het weten.

Een jonge lezende Cicero, door Vincenzo Foppa (1427-1515). (© Wikipedia)

1. Zonder hoge moraal geen vriendschap
‘Ten eerste ben ik ervan overtuigd dat vriendschap alleen tussen hoogstaande mannen kan bestaan. (…) Wie moeten we zien als hoogstaande mannen? Zij die zich zo gedragen en zo leven dat hun betrouwbaarheid, integriteit, rechtvaardigheid en vrijgevigheid vaststaan en bij wie er geen enkele hebzucht, genotzucht of arrogantie te vinden is. Mannen met een grote karaktervastheid, zoals de kerels die ik net noemde. Daar gaan ze voor door, en zo moeten we hen ook noemen. Want zij volgen, voor zover mensen dat kunnen, de natuur als beste richtlijn voor het goede leven.’

2. Zonder genegenheid geen vriendschap
‘Mij lijkt het duidelijk dat wij mensen zo geboren zijn dat er tussen ons allemaal een nauwe band bestaat, die echter nauwer wordt naarmate iemand ons nader staat. Daarom gaan medeburgers vóór buitenlanders, en verwanten vóór vreemdelingen. Met hen brengt de natuur immers vanzelf vriendschap voort, zij het dat die niet heel stevig is. Vriendschap overtreft namelijk verwantschap omdat je bij verwantschap genegenheid kunt weglaten,maar bij vriendschap niet. Zonder genegenheid kan een relatie geen vriendschap heten, wel verwantschap.

3. Zonder deugd geen vriendschap
‘Vriendschap is niets anders dan overeenstemming over alle dingen die met goden of mensen te maken hebben, plus liefde en genegenheid. Misschien met uitzondering van wijsheid hebben de onsterfelijke goden de mens niets mooiers gegeven. Sommigen geven de voorkeur aan rijkdom, anderen aan een goede gezondheid, aan macht of publieke functies, en velen ook aan zinnelijk genot. Dat laatste is iets voor dieren; die eerdergenoemde zaken zijn vergankelijk en onzeker, en niet zozeer in onze macht als wel onderhevig aan de grilligheid van het lot. Zij die in de deugd het hoogste goed zien hebben groot gelijk! Juist de deugd brengt vriendschap voort en houdt haar in stand. Zonder deugd kan er helemaal geen vriendschap bestaan.’

 

Verder lezen:


Cicero
, Vriendschap
Vertaling Rogier van der Wal
Uitgeverij Athenaeum
€ 9,95

De psychiater, de priester en de parochianen

Een afgelegen bergdorp, een verlaten crime scene en elf dode, verminkte lichamen met elk een andere doodsoorzaak. Daarmee begint XY, de surreële roman van Sandro Veronesi, schrijver van het succesvolle Kalme Chaos.

X en Y, man en vrouw, geloof en wetenschap; in het beklemmende XY lopen schijnbare tegenstellingen als een rode draad door de gruwelijke vertellingen heen. Die vertellingen horen we uit de mond van de pastoor van het dorpje, don Ermete, en die van een jonge psychiater, Giovanna, die op de vlucht is voor een stukgelopen relatie. Samen proberen ze de dorpelingen, die zich langzaam dreigen te verliezen in de waanzin van de surreële werkelijkheid, in bescherming te nemen.

Een niet alledaagse haat/liefdeverhouding ontstaat tussen don Ermete en Giovanna, als symbool van de vergelijkbare relatie tussen geloof en wetenschap. X en Y. De relatie tussen de psychiater en de priester, tussen de priester en zijn parochianen en de parochianen en de psychiater vormen, tegen de beklemmende achtergrond van de gebeurtenissen in het bergdorpje, een intrigerende driehoek die – niet ondubbelzinnig – op meerdere manieren aansluiting lijkt te vinden bij het thema van de huidige Boekenweek: Vriendschap en andere ongemakken.

Wie nog niet overtuigd is te beginnen aan XY zal na het lezen van dit fragment uit de opening van het boek naar de (virtuele) boekhandel rennen. En dat is nu juist wat iedereen ten minste tijdens de Boekenweek zou moeten doen!

‘Ik ben er zeker van dat ik de laatste was die ze zag, en de loop van de tijd ben ik tot nog een conclusie gekomen: dat ik ze niet gezien zou hebben als ik alleen was geweest, dat ik dat geweigerd zou hebben.

Overigens dekt het woord ‘lichamen’ de lading niet: in de eerste plaats omdat het merendeels resten betrof, armzalige, her en der verspreide overblijfselen van armzalige, verloren gegane gehelen; en vervolgens omdat de sneeuw reeds alles had bedekt, en ze er daarom voor ons meer uitzagen als zwellingen, vormloze bobbels op het witte tapijt dat uit de hemel was neergedaald.

En de gedachte komt bij me op dat die opmerkelijke sneeuwval inderdaad een geschenk was van de Madonna van de Bossen, tot wie wij in onze kerk zo vaak hadden gebeden om tussenkomst, verlichting en troost – en klaarblijkelijk luisterde ze naar ons, als zij die ochtend die witte sluier had gespreid over die gruwel, om ons te redden. Ja, je zou kunnen zeggen dat die laag sneeuw ons leven heeft gered: dat van mij, van Sauro Formento en van zijn zoon Zeno. Of in ieder geval ons verstand, want ik denk dat de aanblik van wat eronder zat – wat wij pas later te weten kwamen – ons gek zou hebben gemaakt.’

Sandro Veronesi, XY
Uitgeverij Prometheus
€ 19,95

Een poëtische vriendschap

In het jaar 38 voor het begin van onze jaartelling werd een jonge, getalenteerde dichter voorgesteld aan Gaius Maecenas, beschermheer en sponsor van de kunst aan het hof van keizer Augustus. Horatius werd meteen in de literaire kring van Maecenas opgenomen; het begin van een lange en innige vriendschap. In zijn eerste Ode uit Horatius hoezeer hij vereerd is onderdeel van Maecenas’ prestigieuze gezelschap te mogen zijn:

maar als jij mij zult rangschikken onder de lyrische zangers, zal ik met mijn hoge kruin tegen de sterren slaan.’ (Vertaling Koxkollum)

Quintus Horatius Flaccus op een schilderij van Giacomo di Chirico (© Wikipedia)


Maecenas’ eigen woorden getuigen al snel van een veel inniger band tussen de twee mannen:
‘Als ik niet al méér aan je gehecht ben, Horatius, dan aan mijn eigen ingewanden, mag jij je makker mager als een lat zien worden.’ (Vertaling Koxkollum)

Maecenas schonk zijn vriend, die graag in luwte leefde en niet uit was op de publieke roem die dichters in die tijd toekwam, een landgoed in de Sabijnse bergen. Daar wijdde hij zich aan wijsgerige werken, het Epicurisme en zijn dichtwerk. De vriendschap bleef groeien en Horatius besloot dat er slechts één manier was om aan te geven hoeveel waarde hij hechtte aan de band die ze hadden opgebouwd: hij zou niet zonder Maecenas kunnen leven, de dood verkiezen als deze zijn boezemvriend eerder dan hemzelf zou komen halen. Het inspireerde hem tot het volgende vers (Ode II.XVII):

Why do you stifle me with your complaining?
It’s neither the gods’ idea nor mine to die
before you, Maecenas, you’re the great
glory, and pillar of my existence.

Ah, if some premature blow snatches away
half of my spirit, why should the rest remain,
no longer as loved, nor surviving
entire? That day shall lead us to ruin

together. I’m not making some treacherous
promise: whenever you lead the way, let’s go,
let’s go, prepared as friends to set out,
you and I, to try the final journey. 

No Chimaera’s fiery breath will ever tear
me from you, or if he should rise against me
hundred handed Gyas: that’s the will
of all-powerful Justice and the Fates.

Whether Libra or fearful Scorpio shone
more powerfully on me at my natal hour,
or Capricorn, which is the ruler
of the waters that flow round Italy,

our stars were mutually aspected in their
marvellous way. Jupiter’s protection shone,
brighter for you than baleful Saturn,
and rescued you, and held back the rapid

wings of Fate, that day when the people crowding
the theatre, three times broke into wild applause:
I’d have received the trunk of a tree
on my head, if Faunus, the guardian

of Mercurial poets, hadn’t warded off
the blow with his hand. So remember to make
due offering: you build a votive shrine:
I’ll come and sacrifice a humble lamb.

Vertaling © A.S. Kline

Horatius, Vergilius en Varius thuis bij Maecenas op een schilderij van Charles François Jalabert (© Wikigallery)

Horatius genoot van het leven, totdat zijn boezemvriend in september van het jaar 8 overleed. Zijn Ode II.XVII bleek inderdaad meer dan een ‘treacherous promise’: op 27 november van datzelfde jaar ging Horatius zijn vriend in de dood achterna. Augustus, die getuige was geweest van deze bijzondere vriendschap, liet het graf van Horatius oprichten naast die van zijn beschermheer.

Verder lezen:


Horatius, Verzamelde Gedichten
Vertaling P.H. Schrijvers

‘Jouw leven begint vandaag’

Het mooiste van vriendschap is misschien wel dat het zich nergens iets van aantrekt: het ontstaat tussen man en vrouw, mens en dier, jong en oud, en onder alle omstandigheden. In De Nachtwandelaar van Marianne Frederiksson, de boekentip van vandaag, groeit er een bijzondere vriendschap tussen de kleine, blinde Romeinse jongen Marcus en de volwassen astronoom Anjalis.

Marcus wordt geboren in het Rome van het begin van onze jaartelling. Verstoten door zijn moeder en veronachtzaamd door zijn vader, wordt Marcus naar de jonge slavin Seleme gestuurd, die hem grootbrengt. Als Marcus vijf is neemt zijn moeder een harteloos besluit: ze verkoopt Seleme aan een bordeel. Marcus wordt letterlijk verblind door verdriet.

Marianne Frederiksson (© Literatuurplein)

Marcus’ vader, Cornelius, vestigt zijn hoop op een bevriende mysticus en astronoom met de naam Anjalis. ‘Wat hoopt u dat ik doe, Romein?’, vraagt Anjalis zich af. De oude veldheer antwoordt: ‘Dat u de kracht hebt om…
Om?
Om door te dringen in de duisternis van de jongen.’

Aan de rand van een vijver begint een gevecht, een gezamenlijk avontuur en – uiteindelijk – een onverwoestbare vriendschap:

Ze liepen naar de kunstig aangelegde vijver die hoog achter de gebouwen lag.
‘Nu gaan we hier een poosje aan de rand zitten om naar het water te luisteren’, zei Anjalis, die zag wat er in de jongen omging en zich dat meer aantrok dan hij zelf prettig vond. Het kind had iets, een belofte.
‘Vertel me eens over je leven.’
Nu werd het gezicht van de jongen leeg, stil en leeg.
‘Er valt niets te vertellen’, zei hij ten slotte.

Toen wist Anjanis waaruit de belofte bestond. Marcus, bijna zes jaar oud, was nog ongeboren. Hij had een paar jaar zijn best gedaan om het leven te begrijpen en eraan deel te nemen, maar nu had hij het opgegeven en was teruggekeerd naar de duisternis van de baarmoeder. De slavin had zijn band met het leven gevormd, en zij had hem het gevoel gegeven dat hij op de tweede plaats kwam. En zijn vader? Cornelius had niet veel over Salvius verteld, alleen het meest noodzakelijke. En de moeder was gek.

‘Je hebt gelijk’, zei hij. ‘Er valt niets te vertellen. Jouw leven begint vandaag.’
Marcus sperde zijn niet-ziende ogen open; hij begreep het niet.
Maar het lichte gevoel dat hij vloog was er weer, als de hoge toon van een fluit.
Opnieuw las Anjalis zijn gedachten.
‘Ik zal voor je spelen’, zei hij. ‘Ik heb een fluit van zilver. Wil je die voelen?’
Marcus’ vingers gingen aarzelend over het instrument en hij fluisterde: ‘Ik begrijp dat hij heel mooi is.’
‘Ja’, zei Anjalis. ‘Het is een maneschijnfluit uit Babylon en eigenlijk mag je er alleen op spelen wanneer het nieuwe maan is. Maar we gaan proberen hoe hij klinkt wanneer de avondzon nog schijnt, vind je niet?’
Marcus’ ja was bijna onhoorbaar.
Daarna wisten de tonen hem voorzichtig het licht in te lokken, een zilveren maanlicht vol avontuur voerde hem mee op een tocht. Ze liepen over een slingerend pad door het bos, de stammen van de bomen blonken wit, ze liepen zo ver dat de jongen bang werd dat ze zouden verdwalen, en hij pakte de tovenaar stevig bij zijn mantel. Toen verhoogde Anjalis het tempo, er kwam een einde aan het bos en ze stonden aan de rand van een zee, een zandzee, en Marcus begreep dat hij in de woestijn was, dat de zachte duinen die zich voor hem uitstrekten een onafzienbare woestijn vormden, waarover Cornelius had verteld.
Hij rilde en zei tegen zichzelf: ‘Ik dacht dat de woestijn zo heet was als het vuur’.
Anjalis nam even de fluit van zijn mond: ‘Alleen overdag, niet in de maneschijn.



Fragment uit:
De Nachtwandelaar
Marianne Frederiksson
Uitgeverij De Geus

‘Vind ik leuk’-vriendschap

Om vrienden te maken en op te zoeken heb je tegenwoordig alleen nog wifi nodig. Ik – geboren in de jaren ’80 – heb nog een vage herinnering aan hoe vriendschap er in het predigitale tijdperk uitzag; even langsgaan om te kijken of iemand thuis was, en als dat zo was samen ‘iets’ gaan doen. Naar het winkelcentrum, de hond uitlaten om stiekem samen een sigaretje gaan roken; ‘iets’ doen was eigenlijk een ruim begrip en ‘niets doen’ was ook vaak al iets. We hadden geen behoefte om de tijd die we samen doorbrachten te vullen met het elkaar laten zien van foto’s van wat je die ochtend gegeten had, of het verzuchten van kreten over wat je die avond nu eens zou gaan doen (gevolgd door een foto van de bank en de sushi die het uiteindelijk toch maar zijn geworden). Toch maak ook ik me er bij het gros van mijn vrienden op hun verjaardag makkelijk vanaf met een prikbordfelicitatie en klik ik vaker op ‘vind ik leuk’ dan dat ik mensen bel.

Facebook heeft niet alleen ons internetgedrag veranderd, ze hebben het woord vriend(schap) een nieuwe definitie gegeven. Taal is een krachtig medium, en Mark Zuckerberg heeft er niet voor niets voor gekozen om de terminologie van zijn uit de hand gelopen online jaarboek naadloos te laten aansluiten met die van vrienden en vriendschap. Voor de generatie die nu opgroeit is de kans groot dat ze eerder in aanraking komen met het internet (en dus met Facebook) dan met real life vriendschap, en dat ze, wanneer ze hun waardering voor iemand willen uiten, niets anders kunnen verzinnen dan te klikken op de ‘vind ik leuk’-knop.

Tijd om, in CDA-termen, te ‘herbronnen’. Over vriendschap wordt al geschreven zolang er geschreven wordt. Seneca schreef zijn pupil Lucilius er in de eerste eeuw van onze jaartelling een uitgebreide brief over. Hoewel een mens diep van binnen aan zichzelf genoeg heeft, ‘heeft hij toch vrienden nodig; die wil hij zo veel mogelijk hebben maar niet om gelukkig te kunnen leven; hij zal immers ook zonder vrienden gelukkig leven’.

Plato, Seneca en Aristoteles. Illustratie uit een middeleeuws manuscript (© Wikipedia).

Toen ik die zinnen las probeerde ik het volgende: herlees de zin en vervang het woorden ‘vrienden’ door ‘Facebookvrienden’. Dan staat er pas echt een waarheid als een koe, kwam als eerste in me op. Seneca bedoelde alleen iets anders, namelijk dat je prima zonder vrienden kunt (je valt niet dood neer als ze er niet zijn), maar dat een mens een leven zonder vrienden in principe niet verkiest. ‘Als ziekte of de vijand hem van een hand beroofd heeft, als een gebeurtenis hem een oog of beide ogen heeft afgenomen, dan zal de rest hem nog voldoende zijn en hij zal over zijn gehavende en gemutileerde lichaam even tevreden zijn als hij over het ongeschondene was; maar hoewel hij niet mist wat hem ontbreekt, hij geeft toch niet de voorkeur aan het gebrek.’

Seneca verklaart verderop, volkomen onbedoeld, het weergaloze succes van het grote online vriendenboek: ‘als je bemind wilt worden, begin dan met zelf te beminnen. Niet alleen levert het onderhouden van een al lang bestaande en vertrouwde vriendschap een groot genoegen op maar ook het beginnen en de verwerving van een nieuwe.’ De kern van Facebook in een notendop: iedereen wil bemind worden.

Wat is dan het grote verschil met ‘echte’ vriendschap? Volgens Seneca is de definitie van vriendschap uiteindelijk niet delen (Facebook), maar geven. Voldoening en vriendschap gaan hand in hand als je een vriend hebt, niet ‘om iemand te hebben die bij zijn ziekbed kan komen zitten of hem te hulp kan komen als hij in hechtenis genomen is of geld nodig heeft, maar om iemand te hebben aan wiens ziekbed hij zelf kan zitten, die hij, als hij in vijandelijke gevangenschap is opgesloten kan bevrijden. Wie zichzelf in het oog houdt en daarom vriendschap aanknoopt heeft het slecht voor.’

‘Dit zijn de vriendschappen die de volksmond ‘tijdelijk’ noemt’, zegt Seneca. Dit zijn ook de vriendschappen die de volksmond nu ‘Facebookvrienden’ noemt. ‘Daarom omringt een drom van vrienden degenen die het goed gaat’. Ook in deze zin moet je maar eens het woord ‘Facebook’ voor het woord ‘vrienden’ plakken.

Facebook is denk ik toch nog een heel lang leven beschoren. ‘Tot vriendschap brengt hem geen enkele behoefte van hemzelf maar een natuurlijke aanzet; want zoals de aantrekkingskracht van andere zaken ons is aangeboren, zo ook die van vriendschap.’ Zuckerbergs wereld biedt veel nieuwe mogelijkheden, maar blijft niet meer dan een schijnwerkelijkheid (wie de film The social network heeft gezien begrijpt waarom juist die verlegen en sociaal onhandige jongen behoefte had om zo’n wereld te scheppen). ‘Niet is hij gelukkig die zich niet als zodanig beschouwt. Wat doet het er immers toe in welke omstandigheden je verkeert als jij die als slecht beschouwt.’ Achter een glamourfacebookleven kan zomaar een heel eenzaam bestaan schuilgaan.

Toch gloort er hoop in Seneca’s brief. Wie zich volledig afhankelijk maakt van de schijnwereld van Facebook en slaafs zijn vriendschappen slechts daar onderhoudt, zal uiteindelijk het grote goed van de innerlijke voldoening niet toekomen:

‘Wat nu als zo’n type die zich op schandelijke wijze verrijkt heeft zich gelukkig zal prijzen en zo iemand die weliswaar heer is over velen maar slaaf van nog meer, zal die dan volgens eigen mening gelukkig worden? Niet wat hij zegt maar wat hij vindt doet ter zake, en dan nog niet wat hij op één dag vindt, maar constant. Wees maar niet bang dat een zo groot goed bij een onwaardige terecht komt: slechts de wijze is tevreden over het zijne; elke dwaas tobt uit afkeer van zichzelf.’

 

De fragmenten zijn afkomstig uit:
Seneca, Epistula IX
Vertaling Ben Bijnsdorp

Dante Alighieri, de aap en de ezel

In de paasweek van het jaar 1300 wandelt de Italiaanse schrijver Dante Alighieri onder een poort door waarop staat geschreven:

‘Lasciate ogni speranza, voi ch’intrate’

(‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt’)

De poort naar de hel was het begin van een reis door het hiernamaals. Een fictieve reis natuurlijk, die Dante beschreef in zijn beroemde Goddelijke Komedie. De reis voert hem via de hel (Inferno) door het vagevuur (Purgatorio) uiteindelijk naar de hemel (Paradiso), terwijl hij op zijn pad mythologische wezens en monsters tegenkomt, maar ook mensen als Cicero, Cleopatra en Plato; beroemdheden die overleden waren.

Dante en Vergilius voor de poort van de hel (© Wikipedia)

Dante loopt niet alleen door de paden van het hiernamaals; zoals Ebenezer Scrooge door zijn eigen kwelgeesten wordt begeleid, wordt Dante bij de hand genomen door Vergilius, de grote Romeinse dichter die leefde ten tijde van keizer Augustus. Bij de poorten van de hemel neemt hij afscheid van Vergilius en ontmoet hij de gids die hem verder naar de hemel zal leiden. Haar naam is Beatrice en ze was het meisje dat Dante maar een paar keer in zijn leven had ontmoet maar nooit meer had kunnen vergeten.

Beatrice en Vergilius zijn, in een ander land, een andere tijd en een andere context, een aap en een ezel. Henry, de hoofdpersoon uit Yann Martels Beatrice and Virgil – de opvolger van zijn wereldwijde bestseller Life of Pi – is een gefrustreerde schrijver die een grote literaire hit had maar wiens nieuwe boek over de Holocaust maar niet gepubliceerd wil worden. Hij dreigt weg te kwijnen als hij een pakketje ontvangt met een kort verhaal van Flaubert, vergezeld van een briefje. De afzender blijkt een preparateur van dode dieren die leeft in een vreemd decor van opgezette beesten. In die ruimte vol geprepareerde karkassen valt vooral de aap op, die op de rug van een ezel zit. Martel zuigt je vervolgens in de wereld van de Beatrice de ezel en Virgil de aap en de epische reis die ze samen ondernemen. Als Henry zich realiseert dat Beatrice en Virgil symbool staan voor de Holocaust, waarover hij net een boek had geschreven, verandert Beatrice and Virgil van bevreemdende maar onschuldige fabelfictie in een donkerder relaas.

Martels boek heeft een onvoorstelbare lading kritiek gekregen van recensenten wereldwijd. De recensie in The Guardian, bijvoorbeeld, was niet van de lucht.

De onweerstaanbare charme van Life of Pi was inderdaad de manier waarop Martel het voor elkaar had gekregen dat de lezer moeiteloos meedobberde op het bootje van Pi, met de tijger, de hyena en de gorilla, zonder zich al te veel te realiseren hoe zeer hij in de fictieve wereld van de schrijver was meegezogen. In Beatrice and Virgil lukt dat niet, is het geheel te veel gekunsteld om je daar als lezer niet bewust van te worden. Toch heeft het iets oneerlijks om een schrijver te laten opwerken tegen zijn eigen debuutroman, zeker wanneer het succes daarvan de vormen heeft aangenomen als van Life of Pi.

Het is in elk geval onmogelijk om de aap en de ezel niet te zien als Henry’s gidsen door de hel, het vagevuur en de hemel. Het boek zit vol literaire allusies die van de lezer wat voorkennis vragen, maar waar natuurlijk even goed overheen gelezen kan worden. Het bizarre verhaal van de preparateur en de vriendschap tussen de aap Virgil en de ezel Beatrice past hoe dan ook bijna naadloos in het thema van de Boekenweek waar we ons in bevinden: vriendschap. En andere ongemakken.

Beatrice and Virgil
Central Book House
€ 10,99

Life of Pi
Canongate books ltd.
€ 10,99

Twee handen op een buik: de ultieme vriendschap

Als schrijvers het door de eeuwen heen ergens over eens zijn geweest, dan is het wel over het thema vriendschap. En masse verklaren ze – in de oudheid, renaissance, moderne tijd – dat een leven zonder goede vrienden arm en leeg is, dat echte vriendschap pure rijkdom is. Twee mensen die elkaar feilloos aanvoelen en begrijpen: is er iets mooiers denkbaar?

Volgens Plutarchus, Grieks historiograaf/filosoof uit de eerste eeuw na Christus, wel degelijk. Plutarchus ziet een ultieme vorm van vriendschap in de liefde en het kameraadschap tussen broers. De meeste vriendschappen die men onderhoudt, zijn namelijk slechts een schaduw van wat echte broederliefde kan zijn:

‘For most friendships are in reality shadows and imitations of that first friendship which Nature implanted in children toward parents and in brothers toward brothers’

Plutarchus (Florida Center for Instructional Technology)

Want, zo gaat Plutarchus verder, hoe kun je een dergelijke band ooit evenaren met een ‘vreemde’?

‘as for the man who does not reverence or honour this friendship, can he give any pledge of goodwill to strangers? Or what sort of man is he who addresses his comrade as “brother” in salutations and letters, but does not care even to walk with his own brother when they are going the same way?’

We ontkomen er niet aan, we zijn per definitie door de natuur zo geprogrammeerd dat we elkaar opzoeken. Juist daarom moeten we onze naasten, onze bloedverwanten zo dichtbij mogelijk houden:

‘Indeed it is our very need, which welcomes and seeks friendship and comradeship, that teaches us to honor and cherish and keep our kin, since we are unable and unfitted by Nature to live friendless, unsocial, hermits’ lives.’

Het zit in onze natuur, lijkt Plutarchus te willen zeggen. Hij gaat daar nog een stapje verder in door het menselijk lichaam als metafoor in te zetten: hebben wij niet overal twee van? Twee handen, voeten, ogen? Zijn deze twee-eenheden ons niet toebedeeld opdat wij ze laten samenwerken? Zijn broers niet, letterlijk en figuurlijk, de ultieme vorm van ‘twee handen op een buik’?

‘And yet the illustration of such common use by brothers Nature has placed at no great distance from us; on the contrary, in the body itself she has contrived to make most of the necessary parts double and brothers and twins: hands, feet, eyes, ears, nostrils; and she has thus taught us that she has divided them in this fashion for mutual preservation and assistance, not for variance and strife.’

Er valt natuurlijk wel het een en ander af te dingen op Plutarchus verhandeling over de broederliefde. Is een vriendschap niet juist, als de ‘plicht’ van een bloedband ontbreekt, mooier en sterker te noemen? Plutarchus zelf citeert Menander, die in mooie bewoordingen omschrijft wat een vriend kan zijn:

‘Not from drink or from daily revelling
Do we seek one to whom we may entrust
Our life, father. Do we not think we’ve found
Great good in but the shadow of a friend?’

Er zit uiteraard ook een mooie kant aan de genoemde plicht’; familieleden vergeeft men fouten en tekortkomingen. Niet alleen omdat ze ‘aan elkaar vast zitten’, maar ook omdat er een gevoel heerst dat men elkaar en elkaars tekortkomingen niet in de steek mag laten.

‘For a kinsman it is altogether fitting to concede and allow some faults, saying to him when he errs, I cannot leave you in your wretchedness

Broederliefde kan de ultieme vriendschap zijn. Maar het is des te opmerkelijker en misschien wel specialer wanneer twee mensen die relatief vreemden van elkaar zijn, een vergelijkbare relatie ontwikkelen, die zich zo mooi laat omschrijven met Plutarchus’ eigen metafoor: twee handen op een buik.

* De fragmenten zijn afkomstig uit De fraterno amore, Plutarchus. Vertaling: Vol. VI Loeb Classical Library edition, 1939

Nominaties

Orpheus kijkt om werd in 2012 genomineerd voor een Travvies Award en voor de Geschiedenis Online Prijs.

Laatste tweets

Op de hoogte blijven? Laat je mailadres achter en ontvang de nieuwsbrief!

Join 894 other followers

Onlangs besproken:

Verjaardag