Sinds deze week kun je in Florence een bijzondere tentoonstelling bezoeken. Dal Giglio al David
Arte civica a Firenze fra Medioevo e Rinascimento in de Galleria dell’Accademia laat je kunstwerken zien die eens de publieke gebouwen van de republiek Florence sierden – kunst die regelrecht afkomstig is van de muren van de stadsbestuurders en de gildes. Door de kunstwerken te bekijken met in het achterhoofd hun originele context, krijg je een beter beeld van de rol die deze kunst speelde in de ‘communicatiestrategie’ van de republikeinse instellingen.

Antonio Benci (‘il Pollaiolo’), Hercules en de Hydra (1470)
Uit: Florence, Galleria degli Uffizi

Biagio d’Antonio Tucci, Allegorii van Vrouwe Justitia della Giustizia (1470-1475). Uit:
Florence, Galleria degli Uffizi

Domenico Benzi
De armen die Siena zijn uitgezet da Siena worden opgevangen in Florence (1335-1347), Membranaceo;
Uit: Firenze, Biblioteca Medicea Laurenziana

Nardo di Cione (Firenze, doc. 1343-1365), Madonna op de troon met kind en de heiligen Zanobi, Giovanni Battista, Reparata e Giovanni Evangelista (1356)
Uit: Brooklyn, Brooklyn Museum
Tentoonstelling bezoeken
Dal Giglio al David
Arte civica a Firenze fra Medioevo e Rinascimento
t/m 08/12/2013
Galleria dell’Academmia, Florence
Klik hier voor meer informatie!
*Dit is een aflevering in de serie Straatverhalen van Rome.*
Vlak achter het Pantheon in Rome bevindt zich een klein pleintje dat bekend staat om koffie. Dat wil zeggen, er bevindt zich een koffiebarretje met dezelfde naam als het pleintje (S. Eustachio), waar volgens velen de lekkerste koffiebonen van de stad worden gebrand en de beste espresso’s en ijskoffies geserveerd. Tot 1870 werd hier bovendien de beroemde fiera della Befana gehouden, voordat het naar Piazza Navona verhuisde. Tijdens die festiviteiten kwam heel Rome bijeen op het kleine plein. De beroemde koffiebar is uiteraard vernoemd naar het plein, maar waar het plein dan weer precies naar vernoemd is, weten maar weinig mensen.

De koffie van S. Eustachio
Het hert van Piazza S. Eustachio
Wanneer een straat en een plein in Rome naar een heilige zijn vernoemd, betekent dat bijna altijd dat zich ergens in de buurt een kerk bevindt die gewijd is aan dezelfde santo. Dat klopt ook hier; Via en Piazza S. Eustachio zijn vernoemd naar de Basilica di S. Eustachio, in sommige historische documenten ook wel verkort als Sancto Stati. De kerk is gemakkelijk te herkennen: bovenop het dak zie je de karakteristieke kop van een hert, met op zijn hoofd niet alleen een gewei, maar ook een kruis.
De hertenkop verwijst naar het bijzondere verhaal van Eustachius, die ooit door het leven ging als Placidus. Toen Placidus, generaal in het leger van Trajanus in de vroege 2de eeuw, eens ging jagen in de heuvels bij Tivoli, stuitte hij op een hert met een gloeiend kruis in zijn gewei (volgens een andere versie van het verhaal zag hij het gezicht van Jezus de Verlosser, maar dat terzijde). Natuurlijk bekeerde de heiden Placidus zich na het zien van dit wonder tot het christendom; bij zijn doop nam hij de naam Eustachius aan. Toen enkele jaren later Hadrianus aan de macht kwam, werd hij door de nieuwe keizer veroordeeld vanwege zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende weigering de Romeinse goden te eren.

Hertenkop op de drempel van Bar S. Eustachio
Eustachius, zijn vrouw en zijn kinderen werden letterlijk voor de leeuwen gegooid. Een tweede wonder gebeurde: de leeuwen durfden de vrome christenen niet aan te raken en wendden hun koppen zelfs van ze af. Het leek de keizer gepast om de hele familie dan maar levend te koken in een grote bronzen ketel. Hoewel ze in de ketel stierven, bleken hun lichamen bij het opruimen van de boel helemaal intact gebleven.
De kleine christengemeente in Rome eerde de herinnering aan Eustachius en de wonderen die waren geschied door een heilige plaats op te richten op de plaats waar zijn huis had gestaan. Later, rond 1200, richtte Celestinus III precies op die plek een kerk op; de Basilica di S. Eustachio. De klokkentoren die je nu nog links van de (17de-eeuwse) façade kunt zien dateert uit die vroege periode. Wie goed kijkt, ziet dat de onderste ramen in de toren zijn dichtgemetseld; dat zijn ze al sinds de 17de eeuw, al weet niemand waarom.

Het visioen van S. Eustachius, door Pisanello (1436)
In de loop der eeuwen werd de Basilica di S. Eustachio meerdere keren gerestaureerd. De hertenkop werd gemaakt door Paolo Morelli aan het begin van de 17de eeuw, natuurlijk refererend aan het visioen van Eustachius. Achter de ijzeren hekken die de porticus afsluiten zijn een aantal oude inscripties te vinden. Binnen in de kerk wordt een urn bewaard met daarin de overblijfselen van Eustachius en zijn gezin. Ook op het baldakijn bij het altaar vind je het hert terug.
De oudste universiteit en de kamerheer van Farnese

De top van de S. Ivo alla Sapienza, gezien vanaf Piazza S. Eustachio
Eeuwenlang diende de S. Eustachio als een soort bijgebouw van het palazzo van de Sapienza, de universiteit van Rome die al in 1303 werd opgericht. Bij diezelfde universiteit hoorde een kapel, de Sant’Ivo alla Sapienza, vanaf het Piazza S. Eustachio te herkennen aan het ongewone, wervelende kerktorentje dat wel wat weg heeft van taart. Tot 1570 werden de diploma’s van de Sapienza-studenten uitgereikt in de Basilica di S. Eustachio.
Op de gevel van de S. Eustachio vind je (links, op de hoek met Via di S. Eustachio), net als in de binnenhof van de Sant’Ivo alla Sapienza, een plaquette ter herinnering aan een van de meest hevige overstromingen van de Tiber, in 1495.
Speciale vermelding verdient ook het huis van Tizio di Spoleto aan Piazza S. Eustachio; het beschilderde palazzo op de hoek met Via della Palombella. Tizio was de kamerheer van Alessandro Farnese aan het einde van de 16de eeuw. De fresco’s die de buitenmuren sieren zijn gemaakt door Taddeo Zuccari en dankzij recente restauraties in goede staat.
Romeins restje
Vlak voordat je het plein verlaat via de Via degli Staderari, zie je nog een fontein met een oud Romeins bassin. Het gigantische marmeren waterbekken werd, in acht stukken, in 1985 gevonden bij opgravingen in een aantal nabijgelegen palazzi. Archeologen concludeerden dat het ooit onderdeel moest zijn geweest van een thermengebouw dat tijdens het bewind van keizer Nero werd gebouwd (rond het jaar 62; tot het badhuis behoorden ook de twee gigantische zuilen die je nog kunt zien in Via S. di Eustachio).
*Dit is een aflevering in de wekelijkse serie ‘Straatverhalen van Rome’.*
‘Degrado e abbondono’ (aftakeling en verlating), ‘terra di nessuno’ (niemandsland): de Italiaanse krant Corriere della Sera liegt er niet om. In een artikel van maart van dit jaar concludeert een journalist dat er van de goede bedoelingen – een wandelgebied creëren, de ‘groene zone’ rond Augustus’ mausoleum herinrichten – voor Piazza Augusto Imperatore in het centrum van Rome weinig terecht is gekomen. Uitstel, geen afstel, zeggen de autoriteiten. Maar de voorziene kosten van ongeveer 17 miljoen euro in combinatie met de nog altijd toenemende economische crisis lijken nu toch vooral op dat laatste te wijzen.

Het mausoleum van Augustus op Piazza Augusto Imperatore. Foto: Wikimedia
Een vierkant plein
Misschien ben je er wel eens geweest; het wat vreemde, vierkante plein dat ingeklemd ligt tussen de Tiber en de drukke Via del Corso. In dat geval zul je waarschijnlijk denken dat het niet meer dan terecht is dat men niet nog eens 17 miljoen investeert in dit nogal onooglijke plein, met in het midden een verwaarloosde ruïne als bedorven kers op een ingestorte taart. Zoals altijd zit ware schoonheid echter van binnen. Om een eerlijk oordeel te kunnen vormen over de herstructureringsplannen, staat in de serie Straatverhalen van Rome vandaag Piazza Augusto Imperatore centraal – het Plein van Augustus de Imperator.
Bevrijd de monumenten!
Het is 21 April, 1924. Benito Mussolini spreekt op het Campidoglio-plein over ‘de problemen van Rome’. De grandeur van het antieke Rome moest weer zichtbaar worden door middel van de liberazione (bevrijding) van de monumenten uit de oudheid. Zo groots was het nieuwe Italië van Mussolini dat de hoofdstad in ere hersteld moest worden. De parallel met de macht van het oude Rome moest letterlijk zichtbaar zijn in de straten van de stad; de belangrijkste monumenten uit die tijd moesten daartoe worden ontdaan van ‘latere toevoegingen’ zodat ze ‘opnieuw onthuld’ werden. Want, zo meende Mussolini, voor het eerst sinds Augustus was Italië weer zo groot als het oude Rome. Natuurlijk koos hij daarbij precies die elementen uit de geschiedenis van Italië die het best ingezet konden worden om zijn eigen politiek/ideële boodschap te ondersteunen. De oude stenen van de stad kregen in hun nieuwe verband een nieuwe betekenislaag, die meer inzicht biedt in de sociale, politieke en maatschappelijke processen van Mussolini’s tijd dan in die van de oudheid.

De ‘bevrijding’ van Augustus’ mausoleum en de aanleg van Piazza Augusto Imperatore (1936). Foto: Roma Sparita
Een plein wordt geboren
Mussolini’s ideeën materialiseerden zo in het straatbeeld van Rome. Een van de belangrijkste en meest ingrijpende ‘bevrijdingsprojecten’ was de creatie van Piazza Augusto Imperatore. Waar nu het plein ligt, bevond zich nog geen 100 jaar geleden een dichtbevolkte woonwijk. De wirwar van straten en huizen kon echter niet aan Mussolini’s oog onttrekken dat zich hier een paar van de belangrijkste herinneringen schuilhielden aan zijn grote voorbeeld en inspiratie: keizer Augustus (27 v.Chr. – 14 n.Chr.). Overwoekerd door onkruid en begroeing stond hier, allereerst, Augustus’ laatste rustplaats, zijn mausoleum. Daarnaast: de Ara Pacis (Vredesaltaar), een van de symbolische hoogtepunten van het bouwprogramma van de Romeinse keizer.
Propagandamachine
27 jaar voor het begin van onze jaartelling slaagt Gaius Iulius Caesar Octavianus erin alle macht in Rome naar zich toe te trekken. Om zijn positie verder veilig te stellen – Rome is van oudsher een republiek en wars van despoten en alleenheersers – heeft Augustus een uitgebreide propagandamachine in het leven geroepen. Kunst en cultuur bloeiden op onder zijn bewind, niet alleen omdat er vrede in het rijk was en de welvaart letterlijk vanuit de veroverde gebieden bleef toestromen, maar ook omdat de keizer verschillende kunstvormen gebruikte voor zelfverheerlijking en daarmee een stimulans gaf aan de ontwikkeling ervan. Beroemd is de uitspraak van Suetonius dat Augustus ‘Een stad van baksteen aantrof, en er een van marmer achterliet’. Het uitgebreide bouwprogramma voor Rome droeg bij aan de propaganda van de keizer.

De locatie van Augustus’ mausoleum in het oude Rome (rode stip). Foto: Wikimedia
Na enkele militaire overwinningen in Gallië en Spanje keerde Augustus terug naar Rome. Hij had de rust in het hele rijk hersteld, wat zijn populariteit bij rijk en arm vergrootte. Daarom was het een slimme zet de door hem gebrachte vrede, de Pax Romana, zoveel mogelijk te gebruiken in zijn propaganda. Ter ere van de vrede liet hij de Ara Pacis (letterlijk: Altaar van de Vrede) bouwen. Het altaar, ingewijd in 9 v.Chr., zou een lofzang worden op de vrede en welvaart die Augustus het Romeinse rijk had gebracht. Deze boodschap werd verhuld in prachtige symbolische en mythologische reliëfs, die alle zijden van het altaar sierden.
De Ara Pacis stond niet op zichzelf. Het maakte deel uit van een groter bouwproject, dat Augustus op deze plek realiseerde. Hij liet hier ook zijn mausoleum, zijn eigen grafmonument, neerzetten en gaf opdracht tot de bouw van een zogenaamd horologium: een soort reusachtige klok in de vorm van een lange hoge obelisk. De tijdmeting gebeurde aan de hand van de schaduw van die pilaar, die als de wijzer van een klok over de omgeving viel.
9 blokken marmer
Augustus’ monumenten raakten in de eeuwen na de oudheid in de vergetelheid. Maar dan koopt een zekere kardinaal Giovanni Ricci uit Montepulciano – we zijn inmiddels in de 16de eeuw beland – negen blokken marmer op. Wat hij op dat moment niet wist, was dat zijn marmerblokken afkomstig waren van het vredesaltaar van keizer Augustus. Giovanni heeft nooit van zijn ‘vondst’ geweten: het zou nog eeuwen duren voordat de herkomst aan het licht kwam.
In 1859 kwamen, bij werkzaamheden in het Palazzo Peretti in Rome, fundamenten van het vredesaltaar aan het licht. Talloze fragmenten werden opgegraven en vonden direct een weg naar privéverzamelingen en musea over de hele wereld. Sommige delen werden verkocht aan de Galleria degli Uffizzi in Florence, andere aan het Louvre in Parijs. Pas in 1903 zouden alle brokstukken definitief herkend worden als behorend tot de beroemde Ara Pacis, dankzij de Duitse archeoloog Friedrich Von Duhn.
De fascisten grijpen in
Nu vond ook de Italiaanse overheid het tijd voor een officiële opgraving. Toen men ongeveer de helft van het monument had blootgelegd bleken de omstandigheden van de opgraving toch te complex: men staakte de operatie. Pas onder het fascistische bewind, in 1937, werd besloten, om de hierboven genoemde redenen, om de opgraving weer op te pakken. Maar dan groots.
Mussolini wilde het mausoleum van Augustus in oude glorie herstellen en veegde hiervoor een complete Romeinse stadswijk van de kaart. Ook de Ara Pacis moest opnieuw worden opgebouwd en hier worden geplaatst. Waar is hier? Het gloednieuwe Piazza Augusto Imperatore.
Tussen juni en september 1938 maakte architect Ballio Morpurgo alles gereed om de Ara Pacis opnieuw op te bouwen. Er werd een verhoging aangebracht waar het vredesaltaar op moest komen te staan, en een overdekking in de vorm van een portico moest beschutting bieden tegen regen en wind. Voor de gelegenheid werd de complete tekst van de Res Gestae, een beroemde inscriptie met daarop het publieke ‘testament’ van keizer Augustus, op een muur aangebracht. De (her)inauguratie van het monument werd, om de symboliek mooi af te ronden, gehouden op 23 september, de geboortedag van Augustus.

Morpurgo’s behuizing voor de Ara Pacis. Foto: Conoscere il bello
De rest van het plein werd geconstrueerd rondom het vervallen en door begroeiing overwoekerde mausoleum van Augustus. De galerijen die aan drie zijden rond het plein werden aangelegd, zijn typische voorbeelden van de strenge fascistische architectuur en werden versierd met reliëfs die dezelfde ideologie ondersteunden. Zoals gezegd werden voor het project alle bestaande woningen zonder al te veel scrupules van de kaart geveegd. De twee kerken mochten blijven staan en zijn in de plannen voor Piazza Augusto Imperatore geïntegreerd. Alle inspanningen ten spijt, raakten de monumenten die de glorie van het Rome van Augustus in herinnering moesten brengen, na het fascistische tijdperk ernstig in verval. Piazza Augusto Imperatore werd een verloederde plek, waar je zeker in de avonduren maar beter weg kon blijven. Had Augustus zich in zijn graf om kunnen draaien, dan had hij rondom voornamelijk zicht gehad op zwervers, prostituees en verslaafden. Een weinig keizerlijk uitzicht.
Pax Americana
Halverwege de jaren 90 van de vorige eeuw bleek dat uitlaatgassen en temperatuurstijgingen de Ara Pacis ernstig in gevaar hadden gebracht. In 1995 besloot de gemeente Rome dat het tijd was om de behuizing van de Ara Pacis, Morpurgo’s portico, te vervangen door een fatsoenlijk onderkomen.
Wat uit noodzaak werd geboren, werd een belangrijke en symbolische nieuwe stap in het bouwprogramma van Rome – alweer. De opdracht voor het ontwerp van de nieuwe behuizing ging naar Richard Meier, een beroemd Amerikaans architect.
De toenmalige burgemeester Rutelli, verantwoordelijk voor het project, wist dat de keuze voor een niet-Italiaanse architect met een voorkeur voor moderne, strakke, transparante constructies niet onopgemerkt voorbij zou gaan. Rome wordt toch, als ‘bakermat van de westerse beschaving’, een beetje beschouwd als erfgoed van iedereen. Daar kwam nog bij, dat er sinds Mussolini in het centrum van Rome niet één nieuw gebouw meer was gebouwd. Nu werd het symbool van de Pax Romana onder handen genomen door een vertegenwoordiger van de Pax Americana. Natuurlijk zou er kritiek komen.
Toch staat het ‘benzinestation’ – de weinig flatteuze bijnaam van het nieuwe Ara Pacis Museum – alweer jaren fier overeind. Maar met de plannen voor de rest van Piazza Augusto Imperatore is het, zoals de Corriere della Sera meldde, er bedroevend voor.

Piazza Augusto Imperatore, zoals het er in 2014 uit zou moeten zien. Foto: Urban File
Il grande imperatore
Volgend jaar herinnert Rome de tweeduizendste sterfdag van de keizer die baksteen in marmer veranderde – Augustus stierf op 19 augustus in 14 n.Chr. in het plaatsje Nola. Lilli Garrone, de journalist van de Corriere della Sera, gelooft er niet meer in en schaamt zich nu al voor het beeld dat de wereld voorgeschoteld zal worden – zoals zo vaak gebeurt zal Rome (Italië) volgens imagoschade lijden wanneer de wereld ziet hoe er wordt omgegaan met ‘la tomba del grande imperatore’.
De schaamte voorbij
Garrone representeert, denk ik, een grote groep Italianen wanneer ze spreekt van schaamte op het internationale toneel. Om dat voor te zijn, benadrukt ze maar vast dat ze zichzelf terdege bewust is van de ‘grootsheid’ van het verleden en het belang van de tombe. Daarmee plaatst ze zichzelf midden in het, uiteraard subjectieve, debat dat vooral gericht is op het historische belang van deze plek in Rome. Haar oproep is daarmee echter helaas aan een almaar dalend groepje toehoorders gericht. Helaas, maar ook begrijpelijk – Europa in het algemeen en Italië in het bijzonder maken een geweldige crisis door en alle uitgaven moeten meer dan ooit publiekelijk worden verantwoord.
Wellicht zou het daarom beter zijn als het genoemde ‘internationale toneel’, vanwaar de spelers vooral van comfortabele afstand verwijtend wijzen of honend lachen om wat er allemaal gebeurt in het land dat wij beschouwen als de bakermat van ‘onze’ beschaving, meer nadacht over een constructieve bijdrage aan het debat. Een bijdrage die niet gebukt gaat onder schaamte en lijmpogingen van een gebroken imago. Want misschien is het wel zo dat Piazza Augusto Imperatore in Rome niet van de ondergang gered moet worden vanwege de tombe van een man die het totalitarisme zo wat uitvond. Misschien is het zo dat er in Europa bijna geen enkele plek bestaat waar de loop van duizenden jaren geschiedenis zo nauw verweven is met stadsplanning en stedelijke architectuur. En misschien dat er daarom, filosofisch gezien, over hoe wij mensen leven in en uiting geven aan onze stedelijke omgeving, veel grotere inzichten te behalen vallen op deze plek in ‘ons’ Europa.
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.
Aan de oppervlakte lijkt Rome redelijk overzichtelijk, voor toeristen netjes ingedeeld in verschillende zones met elk zo hun eigen thema. Zo ga je naar de omgeving van de Capitoolheuvel om het oude Rome te ontdekken (Forum Romanum, Colosseum, Palatijn), kun je een middagje besteden aan barokke architectuur op en om Piazza Navona en de Trevifontein en ga je ’s avonds naar de wijk Trastevere om lekker op een terrasje te eten.

Piazza di Santa Maria in Trastevere, het hart van de wijk Trastevere (Foto: Wikimedia)
Natuurlijk is die overzichtelijkheid gemaakt en de werkelijkheid juist complex en chaotisch; overblijfselen uit de meest uiteenlopende historische periodes liggen vlak naast of onder elkaar; soms gaan ze zelfs naadloos in elkaar over. Rome is tegelijk de hel en de hemel voor archeologen: nu eens is de historische gelaagdheid in de grond prachtig zichtbaar omdat men letterlijk bovenop de fundamenten uit een eerdere periode heeft gebouwd, dan weer is het overzicht in de loop der eeuwen volledig verloren gegaan door her- en aanbouw, vernieling en hergebruik.
Buiten slapen

Ingang van de oude Romeinse ‘brandweer’
Trastevere, bijvoorbeeld, is een wijk die bijna uitsluitend wordt bezocht om te genieten van de gezellige eet- en drinkgelegenheden. De reputatie van uitgaanswijk, die het stadsdeel aan de andere kant van de Tiber al jaren heeft, is verdiend (alhoewel de toeristenstroom het ontstaan van minder authentieke etablissementen wel sterk heeft doen toenemen), maar natuurlijk vind je ook in Trastevere prachtige bezienswaardigheden en bijzondere verhalen uit het verleden.
Het hart van Trastevere, of eigenlijk de halsslagader, is de brede Viale Trastevere. Wij bewandelen vandaag echter een zijstraatje van die verkeersader: de Via della VII Coorte, de ‘straat van de zevende cohorte’.
Aan de Via della VII Coorte (nummer 9) bevindt zich de ingang van het Excubitorium dei Vigili, de zetel van Cohort VII – de brigade die in de Romeinse tijd belast was met het bewaken van de orde in dit stadsdeel. De Romeinse wijkagenten van Trastevere, zullen we maar zeggen. De benaming Excubitorium komt dan ook van het Latijnse ex cubare, oftewel ‘buiten slapen’ – de wacht houden dus.
De archeologische ontdekking
In het bijzonder werd Cohort VII, sinds de oprichting van de brigade rond het begin van onze jaartelling, geacht de brandveiligheid in de wijk te waarborgen. Het Excubitorium dat in de 19de eeuw door archeologen werd ontdekt, werd echter in de 2de eeuw n.Chr. gedateerd. De ontdekking van het gebouw was deels toevallig: men was eigenlijk bezig met restauratiewerkzaamheden aan andere kunstschatten.
Hoewel men aanvankelijk enthousiast was – de eerste onderzoekers die ter plekke waren, lazen verschillende Romeinse graffiti’s op de muren – werd de site toch al vrij snel verlaten en letterlijk aan het lot overgelaten. De jaren, de vochtigheid, de verwaarlozing; het deed de staat van de Romeinse opgraving allemaal geen goed. Een hele eeuw moest er voorbij gaan voordat men inzag dat er wellicht genoeg historische waarde kleefde aan dit erfgoed van de oude Romeinse brandweer; de site werd tijdelijk gesloten en men begon met restaureren. De graffiti’s op de muren waren inmiddels uiteraard onleesbaar of zelfs onzichtbaar geworden.
De trotse nachtwakersbrigade
De werkzaamheden tussen 1966 en 1986 leverden wel veel nieuwe informatie op. Het Excubitorium bleek inderdaad uit de keizertijd te dateren. Aanvankelijk was het waarschijnlijk in gebruik als privéwoning, maar aan het einde van de tweede eeuw werd het ingericht als ‘kazerne’ van de zevende cohorte, dat ook wel bekend stond als het Cohortes Vigilum. De brigade, met als werkgebied de oude Romeinse wijken Trans Tiberim (wijk XIV) en Circus Flaminius (wijk IX), werd in het jaar 6 door keizer Augustus in het leven geroepen. De cohorte was 7000 man sterk en werd aangevoerd door een stadsprefect. De zevende cohorte had een niet bepaald onbelangrijke taak: ze moesten de openbare veiligheid garanderen, zowel overdag als ’s nachts. In de praktijk van het oude Rome kwam dit vaak neer op brandbestrijding, maar ook bij opstootjes of andere ordeverstoringen traden ze op. Ubi dolor ibi Vigilum, zeiden ze trots: waar pijn is, zijn er bestrijders.

Binnen in het Excubitorium (Foto: Wikimedia)
8 meter onder de grond
De voormalige kazernes van Cohort VII van Rome bevinden zich op zo’n 8 meter onder het huidige straatniveau. Er is een grote hal waar eens een mozaïeken vloer in lag, waarop symbolisch werd verwezen naar de belangrijkste taak van de cohorte: het blussen van branden. Verder vind je verschillende ruimtes met architectonische versierselen, zoals pilasters met Korinthische kapitelen, en enkele fresco’s. Er is een aparte ruimte die waarschijnlijk toebehoorde aan de leidinggevenden van de brigade, zoals de nu verdwenen graffiti’s althans hebben doen vermoeden. Andere ruimtes zijn met meer zekerheid geïnterpreteerd; er zijn wat ‘barakken’ gevonden, maar ook een toiletruimte en een opslagruimte voor graan, olie en andere levensmiddelen.
Wisseling van de wacht, graag
De vele graffiti’s die de oude Romeinse brandweermannen achterlieten op de muren van het Excubitorium zijn, zoals gezegd, nog maar slecht leesbaar. Gelukkig zijn ze wel voor een groot deel gedocumenteerd. De leuzen werden tussen 215 en 245 n.Chr. op de muren geschreven, uiteraard allemaal juist op de momenten van rust of ‘pauze’ – wanneer men niet ‘buiten sliep’ of actief de wacht hield in de wijk. Over het algemeen zijn ze dus gericht op het leven in de kazerne. In sommige gevallen worden keizer of goden voor het een of ander bedankt, maar het meest tot de verbeelding spreken andere graffiti’s, de teksten die gaan over de sebacaria. Dit woord is uit andere contexten niet bekend en de interpretatie is dus wat onzeker, maar het lijkt te gaan om een bepaalde dienst die men moest draaien van maar liefst een maand. Risicovrij was deze dienst niet; de boodschap omnia tuta (alles goed) werd meerdere malen op de muren aangetroffen. Het was tevens een vermoeiende dienst, die veel van de mannen vroeg. Een van hen schreef op de muur: lassus sum successorem date – ik ben moe, geef me mijn vervanger.

Graffiti uit de ‘kazerne’ (CIL CIL VI 37247): Coh(ors) VII vigulum )(centuria) Flam(ini?) d(omino) n(ostro) Gordian/{n}o Aug(usto) et T(ito) Aviola co(n)s(ulibus)/ M(arcus) Antonius Alfius/ sebaciaria fecit mens (Foto: Wikimedia)
Natuurlijk is Rome altijd een metropool geweest, waar reizigers van alle landen en culturen hun voetsporen achterlieten. Op een van de beroemdste pleinen in het centrum van Rome is het echter vooral een Europees feestje, waar de Fransen, Britten en Spanjaarden in de loop van de geschiedenis steeds meer het straatbeeld zijn gaan bepalen.

Franse wortels
Bij een bezoek aan Rome slaat niemand een bezoekje aan de Scalinata della Trinità dei Monti over, toch? Ondanks het feit dat ze wereldberoemd zijn, is deze (officiële) benaming van de Spaanse Trappen volkomen onbekend.
De monumentale trappartij (scalinata in het Italiaans) ontleent de naam aan de kerk die je bovenaan vindt: Trinità dei Monti (of: Santissima Trinità al Monte Pincio). En hoewel de trappen aan haar voeten Spaans worden genoemd, rusten de meer dan 400 jaar oude stenen van de kerk op een Frans verleden. De Franse koning Lodewijk XII stichtte de kerk in de vroege 16de eeuw en de abdij en kerk behoren officieel nog altijd toe aan de Franse staat.
Spaanse buren
Waarom de Scalinata della Trinità dei Monti dan toch bekend is komen te staan onder de naam Spaanse Trappen? Dat heeft eigenlijk een heel prozaïsche reden: zowel het plein (Piazza di Spagna) als de trappartij zijn vernoemd naar het 17de-eeuwse gebouw dat grenst aan de trappen: Palazzo di Spagna. Hier huist namelijk sinds jaar en dag de Spaanse ambassade van de Heilige Stoel.
Britse schrijvers
Over de Britten die hun een erfenis achterlieten op en om Piazza di Spagna schreef ik al eerder; ze kwamen vooral mee met de stroom jonge intellectuelen die in de 18de eeuw Rome aandeden tijdens hun Grand Tour door Europa. De wijk rond de Spaanse Trappen werd hun ontmoetingsplek, in het bijzonder de stamtafel in het inmiddels al even beroemde Caffè Greco. Maar wie goed kijkt kan de Britse erfenis ook elders zien, bijvoorbeeld in Babbington’s, het typisch Engelse theehuis, en in het Keats-Shelley Memorial House, het huis waar deze beroemde dichters verbleven.
De Fontana della Barcaccia – de fontein van de verwaarloosde boot – werd in 1629 in opdracht van paus Urbanus VIII aangelegd aan de voet van de trappartij. Gianlorenzo Bernini maakte het ontwerp, naar men zegt samen met zijn vader. Het water dat traag uit hun half gezonken boot stroomt, werd in steen vereeuwigd door de eerder genoemde jonge Britse dichter, John Keats, die het vanuit zijn sterfbed aan Piazza di Spagna kon horen stromen. ‘Here lies one whose name was writ in water,’ liet hij beitelen in zijn grafsteen op het Campo Cestio, elders in Rome.


Rafael in de Santa Maria della Pace (detail; foto: Wikimedia)
Rome is een openluchtmuseum waar je, als je weet waar je naartoe moet, gratis en voor niets de grootste schatten kunt ontdekken… Handig, want hoewel je tegenwoordig met diverse budgetmaatschappijen al heel voordelig kunt vliegen naar Rome, kan het alsnog een dure trip worden als je de ticketprijzen van alle grote musea en bezienswaardigheden bij elkaar optelt.
Natuurlijk ga je bij een eerste bezoek aan de Eeuwige Stad naar de Sixtijnse Kapel of de Galleria Borghese – hoogtepunten van Rome waarvoor je eerst langs de kassa moet. Maar gelukkig zijn er genoeg plekken te vinden die helemaal gratis toegankelijk zijn en toch toegang geven tot de grootste kunstschatten die je maar kunt bedenken. Zeg nu zelf, waar ter wereld kun je voor niets genieten van grootmeesters als Caravaggio, Michelangelo en Bernini? De 10 mooiste voorbeelden vind je hieronder!
1. Michelangelo in de San Pietro in Vincoli
Michelangelo werd in het jaar 1505 door Paus Julius II naar Rome gehaald om zijn grafmonument te maken. Het moest uiteraard een groots monument worden, met meer dan veertig gebeeldhouwde figuren. Wat er van dat monument rest kun je tegenwoordig nog bekijken in de San Pietro in Vincoli, op de Esquilijnheuvel. Het meest indrukwekkende onderdeel van het grafmonument is zonder twijfel het gigantische beeld van Mozes, dat Michelangelo rond het jaar 1516 voltooide, nog voor hij begon aan het beschilderen van het plafond van de Sixtijnse Kapel.
Adres: Piazza di San Pietro in Vincoli 4a
2. Bernini in de Santa Maria della Vittoria
Het kerkje is voor Romeinse begrippen vrij onopvallend, verdwijnt bijna in de verkeersdrukte, maar binnen in de Santa Maria della Vittoria vind je een prachtige sculptuur van de beroemde kunstenaar Gianlorenzo Bernini: De Extase van de Heilige Theresa.
Adres: Via 20 Settembre 17

De Extase van de Heilige Teresa, Bernini in de Santa Maria della Vittoria (foto: Wikimedia)
3. Caravaggio in de San Luigi dei Francesi:
Werken van Caravaggio, grootmeester van het clair-obscur, kun je op verschillende plekken in Rome bewonderen. In de San Luigi dei Francesi bijvoorbeeld, de Franse kerk in Rome, om de hoek van grote bezienswaardigheden als het Pantheon en Piazza Navona.
Adres: Via Santa Giovanna D’Arco, 5
4. Bramante in de Santa Maria della Pace
Het was het jaar 1500 toen architect Bramante van een zekere kardinaal Oliviero Carafa de opdracht kreeg om bij de kerk Santa Maria della Pace een kloostergang te ontwerpen. Bramante maakte er een prachtig gebouw van, dat een rust en elegantie uitstraalt die ook de bezoeker van nu niet kan ontgaan. Het Chiostro del Bramante werd een typisch voorbeeld van renaissancearchitectuur, met een rechthoekige plattegrond, en een opbouw in twee verdiepingen met elk hun eigen stijl.
Adres: Via Arco della Pace, 5
5. Bernini op Piazza Navona
Een van de beroemdste pleinen van Rome is Piazza Navona. Het plein wordt gekenmerkt door de langgerekte, ovale vorm en natuurlijk door de drie fonteinen die je er kunt vinden. De middelste, de Fontana dei Quattro Fiumi (Fontein van de Vier Rivieren), is van de hand van Bernini.
6. Michelangelo op Piazza del Campidoglio
Het Piazza del Campidoglio bovenop de Capitoolheuvel, is ontworpen door niemand minder dan Michelangelo. Ook de grote brede treden die je de heuvel en de grote beelden van Castor en Pollux aan weerszijden van de trap behoren tot het originele ontwerp van Michelangelo. Hoewel het geheel van bovenaf het beste tot zijn recht komt, zie je ook al bij het betreden van Michelangelo’s monumentale trappartij dat je door een kunstig vormgegeven geheel wandelt.

Caravaggio’s L’ispirazione di San Matteo in de Cappella Contarelli, San Luigi dei Francesi
7. Rafaël in de Santa Maria della Pace
Kosteloos een fresco van de grote kunstenaar Rafaël bewonderen? Dat kan natuurlijk in de Santa Maria della Pace. De kerk zelf is niet altijd open, maar gelukkig kun je vanuit het naastgelegen Chiostro del Bramante ook een blik werpen op de door Rafaël zo verfijnd geschilderde engelen en Sibillen. Vanuit de Sala delle Sibille, op de bovenste loggia, kun je van 10.00 tot 20.00 uur in alle rust de details van Rafaëls schildering bekijken.
Adres: Via Arco della Pace, 5
8. Bernini op het Sint-Pietersplein
Het Sint-Pietersplein is ontwerpen door Bernini en heeft een elipsvorm, met een zuilengalerij die de bezoeker als het ware omarmt. Italianen spreken hier ook wel liefkozend van de abbraccio berniniano, oftewel de ‘Berniniaanse omarming’. De architect verstopte een knap staaltje ‘trompe l’oeil’ in zijn ontwerp: wie op de witte stip in het midden van het plein gaat staan, ziet in plaats van de vier rijen pilaren maar een enkele rij. Natuurlijk is het plein vrij toegankelijk voor publiek.
9. Michelangelo in de Santa Maria degli Angelli e dei Martiri
Hij was al 86 jaar oud, maar toch nam Michelangelo de opdracht van paus Pius IV aan om de kerk Santa Maria degli Angeli e dei Martiri te ontwerpen, op de plek waar een zekere priester Antonio Lo Duca een visioen had gezien van zeven martelaren. Die plek lag wel toevallig midden in de restanten van het imposante Thermengebouw van de Romeinse keizer Diocletianus. Hoe Michelangelo dat oploste kun je voor niets bekijken in de Santa Maria degli Angeli e dei Martiri.
Adres: Piazza della Repubblica (ingang Via Cernaia 9)
10. Andrea Pozzo in de Sant’Ignazio
Wie wil ervaren wat de kunsthistorische term trompe l’oeil precies inhoudt, moet een bezoek aan de kerk van Sant’Ignazio, vlak bij het Pantheon, zeker niet overslaan. Het oog wordt hier letterlijk bedrogen, door de plafondschilderingen die Andrea Pozzo hier in de zestiende eeuw aanbracht. Zoek de gemarkeerde steen op het plaveisel, midden in het schip van de kerk, en loop vanuit daar langzaam naar voren. Je zult zien dat de ‘koepel’ die je boven het altaar ziet een schijnkoepel is en dat de zuilen die het plafond sieren zich langzaam verlengen!
Hoewel Rome vol staat met monumenten uit de oudheid, is er geen zo goed bewaard gebleven als het Pantheon. Voor mij is een bezoek aan Rome, hoe vaak ik er ook kom en hoe lang of kort ik ook blijf, niet compleet zonder even over Piazza della Rotondo te wandelen, in de schaduw van de gigantische zuilen van het Pantheon. Daarom vandaag een klein eerbetoon aan het Pantheon; de leukste wetenswaardigheden over een van de mooiste plekjes in Rome.
#1. Het Pantheon is in de oudheid gebouwd als tempel. Wel eentje die anders was dan andere tempels in de stad: hij was niet gewijd aan een specifieke god maar aan alle goden (pan betekent ‘alles’, theos betekent ‘god’). Het ontwerp was al even ongewoon: een klassiek (rechthoekig) voorportaal staat voor een rond bouwwerk.
#2. Op de inscriptie boven de ingang lees je de beroemde inscriptie M.AGRIPPA.L.F.COS.TERTIUM.FECIT. Oftewel: Marcus Agrippa, zoon van Lucius, heeft dit gebouwd nadat hij drie keer consul is geweest. Er hadden op de plek waar nu het Pantheon staat inderdaad eerder andere bouwwerken gestaan, waarvan Agrippa het allereerste had laten bouwen.
#3. Het Pantheon zelf werd echter gebouwd in opdracht van keizer Hadrianus (117-138 n.Chr.) en niet door Marcus Agrippa (63-12 v.Chr.). Omdat de stenen die gebruikt zijn bij de bouw zijn voorzien van een eigendomsstempel, is het Pantheon met veel zekerheid gedateerd rond 125 n.Chr.
#4. De inscriptie op de architraaf was eerder een eerbetoon was aan Agrippa. Het was typisch iets voor Hadrianus, liefhebber van oude, klassieke tijden, om Marcus Agrippa die eer te gunnen.
#5. Het Pantheon zou niet heel lang de tempelfunctie vervullen. In de zevende eeuw werd het gebouw omgedoopt tot een kerk (Santa Maria ad Martyres) – precies de reden waarom het zo goed bewaard is gebleven.
#6. Het Fronton, nu niets anders dan kale stenen met gaten er in, was ooit versierd met sculpturen. De gaten waren er om ze te bevestigen.
#7. Het voorportaal van het Pantheon wordt ondersteund door maar liefst zestien zuilen van massief steen.
#8. Wanneer je naar binnen wandelt, lijkt het alsof de koepel van het Pantheon wordt gedragen door de zuilen die je ziet, maar de draagconstructie zit in feite in de muren zelf: daarin zitten boogconstructies verstopt die het dak dragen.

#9. De hoogte van het Pantheon is precies gelijk aan de diameter van de koepel (bijna 45 meter).
#10. De koepel is gemaakt van verschillende steensoorten: de zwaardere steensoort travertijn werd gebruikt voor het onderste deel, maar in de hogere delen is juist gebouwd met lichtere tufsteen. Zo blijft de enorme koepel ‘draagbaar’.
#11. Ook de uitsparingen in de grote stenen blokken waaruit de koepel bestaat, zijn een truc om de zware last wat te verlichten, net als het grote gat in het dak (de oculus, met een doorsnede van 8 meter).
#12. Door de oculus valt niet alleen licht maar ook regen naar binnen. Via kleine gaatjes in de vloer komt het regenwater al sinds de oudheid in een afvoersysteem terecht.
#13. In de dikke muren van het Pantheon zitten niet alleen bogen maar ook trappen verborgen, via welke je het dak kunt beklimmen. Tijdens de jaarlijkse pinkstermis in het Pantheon beklimt de Romeinse brandweer dat dak, om rode rozenblaadjes door de oculus naar binnen gooien (ter herinnering aan het neerdalen van de heilige geest over de apostelen).
#14. In het Pantheon liggen een aantal grote namen uit de Italiaanse geschiedenis begraven, waaronder renaissancekunstenaar Rafaël en koning Vittorio Emanuele II.
#15. Het Pantheon is een invloedrijk bouwwerk: over de hele wereld heeft men het monument geprobeerd na te bouwen en te eren (bijvoorbeeld het Panthéon in Parijs en het Jefferson Memorial in Washington D.C.)
Bijzondere kunstschatten uit de museale depots van Florence zijn tijdelijk te bewonderen, tijdens de tentoonstelling Il mito, il sacro, il ritratto in de Galleria Palatina.

Hercules en de Hydra van Lerna
VERZAMELWOEDE
De beroemde Florentijnse familie De’ Medici was een familie van verzamelaars. In de loop der eeuwen legden ze een verbluffende collectie aan van ontelbaar veel kunstschatten, die ze uiteindelijk aan de stad Florence schonken ‘om de staat te sieren, voor publiek gebruik en om de nieuwsgierigheid van buitenlanders te wekken.’
Omdat er, dankzij die verzamelwoede van de De’ Medici, simpelweg teveel kunstschatten in Florence zijn, liggen veel werken maar wat te verstoffen in de depots van musea. Een deel van die collectie is nu tijdelijk te zien in de Galleria Palatina in Florence, tijdens de tentoonstelling Il mito, il sacro, il ritratto.
MYTHE, BIJBEL, PORTRET
Aan de hand van 19 schilderijen (uit ca. 1560-1650) kun je niet alleen de kunsthistorische ontwikkeling volgen, maar ook de verhalen achter de schilderijen, die vertellen van de palazzi en villa’s waarvan ze ooit de muren sierden, van de adellijke lieden die de opdracht gaven om ze te schilderen of die ze aankochten op antiekmarkten. De kunstwerken zijn voor de tentoonstelling ingedeeld naar drie thema’s: klassieke mythologie, bijbels verhalengoed en de portretten.
We beginnen met de mythen. De meeste aandacht gaat ongetwijfeld uit naar het monumentale kunstwerk van Hercules en de Hydra van Lerna, gemaakt door Guido Reni (1638-1640). Het is afkomstig uit de collectie van kardinaal Giovan Carlo, in wiens Casino Mediceo aan de Via della Scala het ooit hing. De held Hercules, symbool van kracht en een favoriete klassieke held van de familie De’ Medici, is ook degene die spirituele reis langs de hemelse sferen begeleid, die volgt in de vijf Kamers van de Planeten. De ruimtes werden versierd met fresco’s door Pietro da Cortona. Een ander exemplum virtutis (voorbeeld van dapperheid) wordt gegeven in twee schilderijen waarop Tarquinius en Lucretia staan afgebeeld, gemaakt door Simone Pignoni.
De tentoonstelling vervolgt in een tweede deel, gewijd aan het bijbelse verhalengoed. Onderwerpen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament, zoals verbeeld door Vlaamse schilders als Frans Floris (1540) en Italiaanse kunstenaars als Artemisia Gentileschi en Jacopo Ligozzi, komen aan bod.
Het gedeelte gewijd aan de portretten wordt ingeleid door een eerbetoon aan Don Lorenzo de’ Medici, zoon van Ferdinand I en Christine van Lorraine. Hij was een kunstliefhebber pur sang en trad op als patroon van de grootste kunstenaars van zijn tijd. Hij gaf zelf opdracht voor veel werken, veelal om zijn Villa della Petraia te sieren. De portretten die volgen zijn de sluiten het geheel mooi af. Het portret was voor de De’ Medici het medium bij uitstek om familieverhoudingen of politieke banden uit te drukken, of om de morele waarden van de geportretteerde te benadrukken.
DE TENTOONSTELLING BEZOEKEN
Il mito, il sacro, il ritratto
T/m 31/08/2013
Galleria Palatina, Florence
kaartjes verkrijgbaar bij de ingang
(maandag gesloten)


Carnaval in de Via del Corso, gravure uit 1836
In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft…
WINKELEN
Iedereen die in Rome is loopt er onvermijdelijk een paar keer doorheen: de Via del Corso. Het is de langste winkelstraat in het oude centrum en doorkruist bovendien dat deel van de stad waar ook grote toeristische trekpleisters als de Trevifontein, de Spaanse Trappen en het Pantheon te vinden zijn. Hoewel de kaarsrechte straat, die het imposante witte monument voor Victor Emanuel verbindt met het prachtige Piazza del Popolo 1,5 kilometer noordwaarts, er niet zo oud uitziet als sommige andere delen van de stad, gaat de geschiedenis ervan wel degelijk helemaal terug tot in de Romeinse tijd.
OVERSTROMINGEN
Een van de belangrijkste uitvalswegen van het oude Rome was de Via Flaminia (anno 220 v.Chr.). Het rechtlijnige traject van de huidige Via del Corso loopt gelijk met het deel van de Via Flaminia dat door de stad liep. De weg raakte na de val van het Romeinse rijk niet buiten gebruik, maar werd overgenomen door de middeleeuwse inwoners van de Rome. Zij gaven de straat de naam Via Lata, oftewel ‘de brede weg’. In diezelfde Middeleeuwen zou men echter uiteindelijk verkiezen de straat links te laten liggen en zich een hoger gelegen weg te banen naar de noordelijke grens van de stad, door de huidige Via Biberatica die van Trajanus’ forum in de richting van Piazza San Silvestro liep en daarna alsnog uitkwam op de Via Flaminia. Men zocht het ‘hogerop’ omdat de inwoners van Rome werden geteisterd door de veelvoorkomende overstromingen van de rivier de Tiber.

Via del Corso, gezien vanaf Piazza Venezia
VENETIE IN ROME
Paus Paulus II (1464-1471) vond de omweg maar niets en liet de straat in 1467 opknappen, zodat het voor het grootste deel weer exact gelijk liep met de oude Via Flaminia. De paus toonde zich een waar bouwmeester in dit centrale deel van de stad: aan het begin van de straat liet hij een paleis voor zichzelf bouwen: Palazzo Venezia, dat zijn naam ontleent aan de Venetiaanse oorsprong van de paus.
In Venetië was het al langer gebruikelijk om volkse feesten als carnaval in het centrum van de stad te vieren. Paulus verhuisde de viering van het jaarlijkse carnavalsfeest daarom naar zijn nieuwe paradepaardje in het hart van Rome. Dat feest werd door de Romeinen voorheen altijd uitbundig gevierd op de Monte Testaccio (Schervenberg), buiten het centrum.
FEESTRACE
Het meest spectaculaire onderdeel van het carnavalsfeest waren de races (corse) die werden gehouden op Vastenavond. De paardenraces werden de Corse dei Bàrberi genoemd, naar de het Noord-Afrikaanse paardenras de berbero. De opgefokte, wilde paarden denderden zonder ruiter door de huidige Via del Corso, ongeveer vanaf de (nu verdwenen) Boog van Portugal ter hoogte van de Via della Vite tot aan het huidige Piazza Venezia. De genoemde Boog van Portugal werd door paus Alexander VII in de 17e eeuw afgebroken om meer ruimte te bieden aan de mateloos populaire paardenraces. Het volkse festijn mocht enkele eeuwen voortduren, totdat er tijdens de race van het jaar 1883 een dodelijk ongeval plaatsvond.
De wedstrijd werd voortaan verboden, maar de straatnaam Via del Corso, de ‘Straat van de Paardenrace’ zou nog even standhouden. De eerste verandering kwam na de dood van koning Umberto I in het jaar 1900 – de naam van de straat werd toen officieel aangepast naar Corso Umberto I. In 1944 werd het even Corso del Popolo, maar twee jaar later kwam de naam Via del Corso weer terug. Zo blijft de straat tot op de dag van vandaag herinneren aan de corse, de spectaculaire paardenraces die hier eeuwenlang het volk van Rome vermaakten.
Het filmfestival in Rotterdam is in volle gang – met vandaag onder andere de langverwachte première van Bertolucci’s Io e Te (naar het boek van Paolo Giordano). Om in filmsferen te blijven wandelen we over de sets en langs de studio’s van Cinecittà – de filmstudio’s van Rome.
Fellini, Coppola en Scorsese gingen je voor: hier werden films als Ben Hur, The Godfather III, La vita è bella en Gangs of New York opgenomen. Maar ook het oude Rome is nagebouwd op een van de sets; daar werd bijvoorbeeld BBC’s hitserie Rome gemaakt.

De set van Martin Scorsese’s Gangs of New York

Deel 2 van de set van Gangs of New York

Het oude Rome nagebouwd, voor o.a. BBC’s Rome

Deel 2 van de set van BBC’s Rome

‘Middeleeuws’ Italië, set gebruikt voor o.a. de balkonscène van Romeo en Juliet

Fellini’s filmparadijs: in ‘zijn’ Studio Cinque maakte Fellini bijna al zijn films

Decorstukken van weleer, met o.a. delen van de Ara Pacis
CINECITTA BEZOEKEN?
De filmstudio’s van Rome liggen ongeveer 9 kilometer ten zuiden van het centrum. Je kunt er gemakkelijk komen met metrolijn A, of per taxi. Kijk voor meer informatie op de website van Cinecittà!
