Mythen & verhalen

This category contains 22 posts

Het hert van Piazza S. Eustachio

*Dit is een aflevering in de serie Straatverhalen van Rome.*

 

Vlak achter het Pantheon in Rome bevindt zich een klein pleintje dat bekend staat om koffie. Dat wil zeggen, er bevindt zich een koffiebarretje met dezelfde naam als het pleintje (S. Eustachio), waar volgens velen de lekkerste koffiebonen van de stad worden gebrand en de beste espresso’s en ijskoffies geserveerd. Tot 1870 werd hier bovendien de beroemde fiera della Befana gehouden, voordat het naar Piazza Navona verhuisde. Tijdens die festiviteiten kwam heel Rome bijeen op het kleine plein. De beroemde koffiebar is uiteraard vernoemd naar het plein, maar waar het plein dan weer precies naar vernoemd is, weten maar weinig mensen.

De koffie van S. Eustachio

De koffie van S. Eustachio

Het hert van Piazza S. Eustachio
Wanneer een straat en een plein in Rome naar een heilige zijn vernoemd, betekent dat bijna altijd dat zich ergens in de buurt een kerk bevindt die gewijd is aan dezelfde santo. Dat klopt ook hier; Via en Piazza S. Eustachio zijn vernoemd naar de Basilica di S. Eustachio, in sommige historische documenten ook wel verkort als Sancto Stati. De kerk is gemakkelijk te herkennen: bovenop het dak zie je de karakteristieke kop van een hert, met op zijn hoofd niet alleen een gewei, maar ook een kruis.

De hertenkop verwijst naar het bijzondere verhaal van Eustachius, die ooit door het leven ging als Placidus. Toen Placidus, generaal in het leger van Trajanus in de vroege 2de eeuw, eens ging jagen in de heuvels bij Tivoli, stuitte hij op een hert met een gloeiend kruis in zijn gewei (volgens een andere versie van het verhaal zag hij het gezicht van Jezus de Verlosser, maar dat terzijde). Natuurlijk bekeerde de heiden Placidus zich na het zien van dit wonder tot het christendom; bij zijn doop nam hij de naam Eustachius aan. Toen enkele jaren later Hadrianus aan de macht kwam, werd hij door de nieuwe keizer veroordeeld vanwege zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende weigering de Romeinse goden te eren.

Hertenkop op de drempel van Bar S. Eustachio

Hertenkop op de drempel van Bar S. Eustachio

Eustachius, zijn vrouw en zijn kinderen werden letterlijk voor de leeuwen gegooid. Een tweede wonder gebeurde: de leeuwen durfden de vrome christenen niet aan te raken en wendden hun koppen zelfs van ze af. Het leek de keizer gepast om de hele familie dan maar levend te koken in een grote bronzen ketel. Hoewel ze in de ketel stierven, bleken hun lichamen bij het opruimen van de boel helemaal intact gebleven.

De kleine christengemeente in Rome eerde de herinnering aan Eustachius en de wonderen die waren geschied door een heilige plaats op te richten op de plaats waar zijn huis had gestaan. Later, rond 1200, richtte Celestinus III precies op die plek een kerk op; de Basilica di S. Eustachio. De klokkentoren die je nu nog links van de (17de-eeuwse) façade kunt zien dateert uit die vroege periode. Wie goed kijkt, ziet dat de onderste ramen in de toren zijn dichtgemetseld; dat zijn ze al sinds de 17de eeuw, al weet niemand waarom.

Het visioen van S. Eustachius, door Pisanello (1436)

Het visioen van S. Eustachius, door Pisanello (1436)

In de loop der eeuwen werd de Basilica di S. Eustachio meerdere keren gerestaureerd. De hertenkop werd gemaakt door Paolo Morelli aan het begin van de 17de eeuw, natuurlijk refererend aan het visioen van Eustachius. Achter de ijzeren hekken die de porticus afsluiten zijn een aantal oude inscripties te vinden. Binnen in de kerk wordt een urn bewaard met daarin de overblijfselen van Eustachius en zijn gezin. Ook op het baldakijn bij het altaar vind je het hert terug.

De oudste universiteit en de kamerheer van Farnese

De top van de S. Ivo alla Sapienza, gezien vanaf Piazza S. Eustachio

De top van de S. Ivo alla Sapienza, gezien vanaf Piazza S. Eustachio

Eeuwenlang diende de S. Eustachio als een soort bijgebouw van het palazzo van de Sapienza, de universiteit van Rome die al in 1303 werd opgericht. Bij diezelfde universiteit hoorde een kapel, de Sant’Ivo alla Sapienza, vanaf het Piazza S. Eustachio te herkennen aan het ongewone, wervelende kerktorentje dat wel wat weg heeft van taart. Tot 1570 werden de diploma’s van de Sapienza-studenten uitgereikt in de Basilica di S. Eustachio.
Op de gevel van de S. Eustachio vind je (links, op de hoek met Via di S. Eustachio), net als in de binnenhof van de Sant’Ivo alla Sapienza, een plaquette ter herinnering aan een van de meest hevige overstromingen van de Tiber, in 1495.
Speciale vermelding verdient ook het huis van Tizio di Spoleto aan Piazza S. Eustachio; het beschilderde palazzo op de hoek met Via della Palombella. Tizio was de kamerheer van Alessandro Farnese aan het einde van de 16de eeuw. De fresco’s die de buitenmuren sieren zijn gemaakt door Taddeo Zuccari en dankzij recente restauraties in goede staat.
Romeins restje
Vlak voordat je het plein verlaat via de Via degli Staderari, zie je nog een fontein met een oud Romeins bassin. Het gigantische marmeren waterbekken werd, in acht stukken, in 1985 gevonden bij opgravingen in een aantal nabijgelegen palazzi. Archeologen concludeerden dat het ooit onderdeel moest zijn geweest van een thermengebouw dat tijdens het bewind van keizer Nero werd gebouwd (rond het jaar 62; tot het badhuis behoorden ook de twee gigantische zuilen die je nog kunt zien in Via S. di Eustachio).

 

 

Hoogmoed, liefde en wraak: verhalen van Ovidius

Ovidius door Luca Signorelli (1499-1502)

Ovidius door Luca Signorelli (1499-1502)

Wist je dat… er in het Romeinse kalenderjaar geen ‘vaste’ vrije dagen waren, zoals bij ons bijvoorbeeld de zondag? En dat de beroemde dichter Ovidius een poëtische bewerking maakte van de ‘feestkalender’ (fasti) van Rome?

Een hoop middelbare scholieren zullen er binnenkort alles over weten: het eindexamen Latijn van 2014 schrijft namelijk tien verhalen voor uit de Metamorfosen en Fasti van Ovidius.

VERTELTALENT

In Ovidius’ beroemde werk Metamorfosen wordt het verhaal van de schepping en geschiedenis van de wereld verteld aan de hand van de Griekse en Romeinse mythologie. De verhalen gaan over hoogmoed, liefde en wraak van stervelingen en goden en worden op ingenieuze wijze aan elkaar geweven, waarbij telkens een gedaantewisseling de overgang naar een nieuwe mythe inluidt. De combinatie van het aangeboren verteltalent van de dichter en de schat aan mythisch verhalengoed waar hij uit kon putten maken dit tot een van de meest tot de verbeelding sprekende boeken uit de oudheid.

OVIDIUS’ FEESTKALENDER

Na zijn poëtische vertelling over de gedaantewisselingen begon Ovidius met een dichtwerk van een geheel ander karakter, de Fasti ofwel ‘Feestkalender’. In twaalf boeken wilde hij alle feesten van het Romeinse kalenderjaar behandelen. Een dichterlijke bewerking van de feesten zou bij de keizer in goede aarde vallen. De herziening van de kalender waarmee Julius Caesar een begin had gemaakt, was door Augustus voltooid. Bovendien maakten de door hem uitgevoerde religieuze hervormingen het onderwerp actueel.

Maar Ovidius was ambitieus: hij wenste niet alleen alle Romeinse feesten, maar ook hun ontstaansgeschiedenis beschrijven. De Fasti is daarmee een zogenaamd aetiologisch gedicht geworden (aition = oorzaak, reden, aanleiding) en staat in de traditie van het didactisch epos dat in de hellenistische tijd populair was. Een belangrijke inspiratiebron voor de Fasti was de Aitia (‘Oorzaken’) van Callimachus, een geleerde dichter die leefde in de 3de eeuw v.Chr.

Fasti, gevonden in de 16de eeuw op het Forum Romanum. Ze bevatten lijsten van consuls (483-19 v.Chr.) en van triomfatoren (753-19 v.Chr). Ze bevinden zich nu in het Capitolijnse Musea (Palazzo dei Conservatori)

Fasti, gevonden in de 16de eeuw op het Forum Romanum. Te zien/lezen zijn lijsten van consuls (483-19 v.Chr.) en van triomfatoren (753-19 v.Chr). Deze fasti bevinden zich nu in de Capitolijnse Musea (Palazzo dei Conservatori) in Rome. De Romeinse kalender kende geen vaste vrije dagen, zoals bijvoorbeeld onze zondag. In plaats hiervan was er een groot aantal feesten waarop het openbare leven deels stil lag. De naam Fasti is een afkorting van Dies Fasti, dagen waarop de pretor mocht ‘spreken’ (fari), dat wil zeggen dagen waarop hij recht mocht spreken. Op de Dies Nefasti mochten geen rechtszaken plaatsvinden en ook geen politieke vergaderingen worden gehouden. Deze dagen zijn te vergelijken met onze zon- en feestdagen, alleen zijn ze erg ongelijk over het Romeinse jaar verdeeld.

 

LENTE IN ROME

Zo waren de Cerealia, een oud feest dat in Rome in de lente (12-19 april) werd gevierd ter ere van de landbouwgodin Ceres, voor Ovidius aanleiding om een bekende Griekse mythe te beschrijven (Fasti IV 417-620): de roof van Persephone.

Henry Siddons Mowbray, The Marriage of Persephone (1895)

Henry Siddons Mowbray, The Marriage of Persephone (1895)

 

‘Nu wil ik van de roof Ceres’ dochter spreken.
Ik voeg maar weinig toe aan een bekend verhaal…
Sicilië heeft een tweede naam: Trinácris, Driekaap:
drie steile hoeken steken uit in volle zee,
woonoord van Ceres dat haar lief is. Zij bezit er
menige burcht, het vruchtbare Enna is er een.
De godenmoeders zijn bijeen voor een hemels feestmaal
bij Arthusa’s koele bron. De blonde Ceres
dus ook. Haar kind is met haar eigen groep vriendinnen
blootsvoets gaan spelen in het groene land rondom.
Daar, in de schaduw van het dal, klinkt het gespetter
van een van-hoog-neerdruppelende waterval;
talrijke bloemen kleuren er het veld, je telt er
evenveel tinten als de aarde tinten telt.
Wanneer Persephone dat ziet, roept ze: ‘Hier kunnen
we bloemen plukken! Kom maar! Hier staan armenvol!’
Een onberaden doel, maar het vermaakt de meisjes,
bukken valt hun niet zwaar, moeheid wordt niet gevoeld;
de een verzamelt bloemen in een rieten mandje,
de ander in haar schoot of in de plooien van
haar kleed. Goudsbloemen zoeken ze, of bosviooltjes,
met nagels breken ze papaverknoppen los,
sommigen plukken duizendschoon of hyacinten
of tijm of zoete klaver, heel veel rozen ook,
veel bloemen zonder naam. Zij zelf, Persephone,
kiest lelies uit en crocussen, blankwit en geel.
Maar in haar ijver is zij verder afgedwaald,
geen van haar dienaressen is nog in de buurt,
dat hoeft Pluto maar te zien of, kijk, hij stuurt er
zijn donkere wagen heen en rooft haar naar zijn rijk.
Zij roept nog om haar moeder: ‘Moeder! Lieve moeder,
help me!’ Ze rukt haar kleren stuk, maar reeds ligt daar
de weg naar Hades open, Plutos paarden kunnen
het aardse zonlicht ook niet langer meer verdragen.’

(Fasti IV, 417-450, vertaling M. d’Hane-Scheltema)

 

VERDER LEZEN

De vertaling uit de Fasti en delen van bovenstaande tekst zijn afkomstig uit Hoogmoed, liefde en wraak. Verhalen uit de metamophoses en fasti van Ovidius; een volledige uitwerking van de syllabus voor het eindexamen Latijn in het jaar 2014. Deze schrijft tien verhalen voor uit de Metamorphoses en Fasti van Ovidius. Speciaal voor deze bundel maakte M. d’Hane-Scheltema een vertaling van het Proserpinaverhaal uit de Fasti.

Hoogmoed-liefde-wraak-verhalen-uit-de-metamorphosen-en-fasti-van-Ovidius

Hoogmoed, liefde en wraak / deel Leerlingenboek
verhalen uit de metamophoses en fasti van Ovidius

Elly Jans & Charles Hupperts
Eisma Edumedia
ISBN 9789087717025
€ 20

 
In het leerlingenboek zijn de volgende onderdelen terug te vinden:
-de voorgeschreven Latijnse en vertaalde teksten;
-een uitgebreide annotatie van de Latijnse teksten. De woorden die niet zijn opgegeven staan in de alfabetische woordenlijst achterin het boek;
-veel vragen en opdrachten bij de Latijnse teksten, teksten in vertaling en informatieve teksten;
-opdrachten in het kader van het vergelijken van de Latijnse tekst met bestaande vertalingen en een toelichting voorin het boek;
-een inleiding over Ovidius’ leven en werken;
-een inleiding over de politieke situatie en het intellectuele en religieuze klimaat van de tijd waarin Ovidius leefde;
-een inleiding over het Griekse en Latijnse epos;
-een inleiding over het voortleven van Ovidius in later tijd;
- onthoudblokken met belangrijke grammaticale onderwerpen;
-onthoudblokken met bekend veronderstelde taalkenmerken van Ovidius;
-een stappenplan en aanbevelingen voor het vertalen;
-een overzicht van de CEVO-stijlmiddelen met voorbeelden uit het pensum;
-een toelichting op de metriek;
-tien proefvertalingen;
-de tekst van de syllabus.

 

 

 

De verborgen straat van de pausen

In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft.

Ter ere van de witte rook die eerder deze week uit de schoorsteen van de Sixtijnse Kapel kwam, stappen we vandaag in de voetsporen van een aantal benauwde pausen, die een 800 meter lang, verborgen straatje bewandelden om hun vege lijf te redden…

De Passetto di Borgo, gezien vanaf de Engelenburcht

De Passetto di Borgo, gezien vanaf de Engelenburcht (Foto: Wikimedia)

DE KLEINE DOORGANG

Precies op de grens tussen Vaticaanse en Italiaanse bodem, aan de rand van het Sint Pietersplein, zie je parallel aan Bernini’s colonnade een oude, middeleeuws aandoende hoge muur. Van de buitenkant lijkt het een verdedigingsconstructie en doet niets vermoeden dat het in feite een verborgen, overdekte wandelgang is. Het meest beschutte straatje dat je in Rome zult vinden wordt in de volksmond de passetto genoemd, de ‘kleine doorgang’. Deze doorgang leidt de wandelaar vanuit de Sint Pieter naar de Engelenburcht, 800 meter verderop.

Toen Rome in 576 n.Chr. (bijna honderd jaar na de val van het West-Romeinse rijk) voor een deel in handen viel van de Ostrogoten, gaf hun leider Totila opdracht tot de bouw van een muur bij het graf van Hadrianus (nu bekend als de Engelenburcht). Keizer Aurelianus (270‑275 n.Chr.) had het graf al voor een deel in de nieuwe ommuring opgenomen die hij rond de stad had aangelegd, en Totila maakte de connectie tussen de verdedigingsmuur en het grafmonument af. Vanaf dat moment was Hadrianus’ eeuwige rust voorgoed verstoord: de tombe trad in dienst als burcht van het onstuimige Rome.

Totila’s muur bleek slecht gebouwd en stortte al snel in. Maar in 800, toen Karel de Grote door paus Leo III was gekroond tot keizer van het Heilige Roomse rijk, voelde men de noodzaak om de muur opnieuw op te bouwen. Rome moest immers het centrum worden van dat nieuwe, heilige rijk, en de pelgrimsplaats die de Sint Pieter was diende naar behoren beschermd te worden. Toen de inwoners van Rome echter begonnen te vermoeden dat het akkoord tussen de paus en de nieuwe keizer de autonomie van de stad in gevaar bracht, kwamen ze in opstand. De net gebouwde muur bij de burcht kreeg het zwaar te verduren.

Toen Rome even later een aanval te verduren kreeg van de Saracenen, was de Sint Pieter dus een makkelijk doelwit geworden. De Arabische inval had succes en drong door tot in de crypte van de Sint Pieter.

De passetto: vluchtroute van de pausen

De passetto: vluchtroute van de pausen  (foto: Wikimedia)

EEN ENGEL VERSCHIJNT

Aan het einde van de 6de eeuw gebeurde er iets wonderlijks, waardoor de burcht van Hadrianus voortaan onder een andere naam door het leven zou gaan. Rome werd in die dagen geplaagd door de pest, waar zelfs de paus het slachtoffer van werd. Zijn opvolger Gregori­us organiseerde een speciale processie, een smeekbede gericht naar boven, om de pest uit de stad te verdrijven. Toen ze bijna bij de Sint Pieter waren, zag Gregorius aan de hemel, precies boven de burcht, de aartsengel Michaël verschijnen met een zwaard in zijn hand. Het volgende moment stak Michaël het zwaard in de schede. Gregorius interpreteerde het als teken: de pest was voorbij. Ter ere van dit verhaal – dat de naam Engelenburcht in het leven riep – werd er eeuwen later bovenop het mausoleum van Hadrianus een beeld van Mi­chaël met zwaard geplaatst.

Verdedigingstechnisch moest er nog wel het een ander gebeuren rondom het Vaticaan. Om een aanval als die van de Saracenen in de toekomst te voorkomen, werd onder leiding van paus Leo IV en de nieuwe keizer van het Heilige Roomse rijk in de 9de eeuw een defensieve constructie aangelegd die heel het Vaticaan omsloot. Ze begonnen met de verbinding tussen Sint Pieter en Engelenburcht. De nieuwe muur bleek dit keer stevig genoeg om eeuwen te blijven staan.

VLUCHTROUTE

Het waren in heel Europa nog eeuwenlang woelige tijden. In de 13de eeuw was het paus Nicolaas III (1277-1280) die voor het eerst zo voor zijn eigen veiligheid vreesde, dat hij het nodig achtte een vluchtweg te creëren vanuit de Sint Pieter, voor noodgevallen. Bovenop de muur die naar de – veel beter verdedigbare – Engelenburcht liep, liet hij een looppad aanleggen. De passetto was geboren. In 1492 droeg paus Alexander VI zijn eigen steentje bij aan de vluchtroute: hij liet een route aanleggen bovenop de bestaande, zodat de passetto in een overdekte galerij veranderde.

Zo’n 30 jaar later, in 1527, kwam de vluchtgalerij goed van pas. Op 6 mei van dat jaar vond de beruchte Sacco di Roma (Plundering van Rome) plaats – een plundering van de stad door een leger van Duitse en Spaanse huurlingen onder leiding van Karel V. De stad werd flink geraakt en paus Clemens VII moest zijn vege lijf zien te redden. Volgens de overlevering begeleidde een trouwe Zwitserse Gardist hem door de passetto, met een fakkel in de hand.

De Engelenburcht en de passetto, door Giovanni Battista Piranesi (1748-1774)

De Engelenburcht en de passetto, door Giovanni Battista Piranesi (1748-1774)

DE LAATSTE GALERIJ

De muur van de passetto deelde vanaf de 16de eeuw – toen een nieuwe, betere muur parallel aan de oude werd gebouw – de wijk Borgo in tweeën. Sindsdien spreken de Romeinen van de Borgo Vecchio aan de ene zijde, en de Borgo Nuovo aan de andere, richting de nieuwe muur. Verschillende nieuwe poorten en doorgangen werden bij deze gelegenheid in de oude muur gemaakt. De Engelenburcht veranderde in deze periode, toen er rust en welvaart heersten in Rome en de pausen geen versterkte burcht meer nodig hadden, in een gevangenis. De laatste wijziging die werd aangebracht kwam van paus Urbanus VIII, die ook de bovenste galerij liet overdekken.

Momenteel kun je de Passetto di Borgo, zoals de oude pauselijke vluchtroute nu wordt genoemd, helaas niet bezoeken. Soms, bij bijzondere gelegenheden, wordt de geheime gang echter toch weer voor het publiek geopend.

Bloedmooi en zielsongelukkig

Artemis 1‘Zijn dit nog goden, zoon? Ik vraag het je: zijn dit nog goden?’

Venus, de ijdele godin van de liefde, eist aanbeden te worden. Offers moeten er gebracht worden, eer bewezen. Doe je dat niet? Dan verspil je alle kans op schoonheid en liefde in je leven.

Haar zoon Eros haalt ondertussen het bloed onder Venus’ nagels vandaan. Dat hangt de hele dag maar wat op z’n sofa. Stervelingen zouden zijn pijlen moeten vrezen, sidderen bij het horen van zijn naam. En dan is er nog dat meisje, die slet van een Psyché, die alle mannen het hoofd op hol brengt. Het verhaal gaat dat ze zo mooi is, dat niemand haar durft aan te kijken. Venus dreigt van haar troon te worden gestoten.

De puber Psyché is alleen maar in de war – hoe moet zo’n jong meisje omgaan met al die rozen, al die aandacht? Ze wil sterven: hoe sneller, hoe beter. Daar ligt een schone taak voor Eros. Maar als hij Psyché eenmaal heeft gezien, kan ook de god geen weerstand bieden aan de schoonheid van de sterveling. In het holst van de nacht bezoekt hij haar, onzichtbaar in de duisternis. Samen ontdekken ze hemel en aarde, totdat het Psyché begint te dagen ze een goddelijke minnaar heeft…

 

Foto: Phile Deprez

Foto: Phile Deprez

 

De mythe van Eros en Psyché is een krachtig verhaal over ijdelheid, jaloezie en de zoektocht naar liefde en volwassenheid, geschreven door Apuleius in de 2de eeuw n.Chr. Toneelschrijver Jeroen Olyslaegers heeft de mythe voor theatergroep Artemis bewerkt tot de voorstelling Bloedmooi en ziels­ongelukkig.

BEZOEKEN
Theater Artemis speelt op 19 maart aanstaande voor de laatste keer Bloedmooi en zielsongelukkig, in de stadsschouwburg in Utrecht. Klik hier voor speeltijden en hier voor kaarten.

 

TRAILER

 

 

De eerste Nederlandse toeristen in Rome

Portret van Tacitus (op basis van een antieke buste)

Portret van Tacitus (op basis van een antieke buste)

Voor zover Romeinse schrijvers, een paar Bataven daargelaten, ‘ons’ Nederlanders noemen in hun boeken, hebben ze het vaak over de Frisii. De Friezen dus, alhoewel de term historisch gezien zeker niet direct correspondeert met de moderne Friezen, inwoners van Friesland.

TOERISTEN IN ROME

Die Frisii kwamen nog eens ergens, zo blijkt uit het werk van de beroemde Romeinse historicus Tacitus. In zijn Annalen (boek 13, hoofdstuk 54) beschrijft hij de komst van twee Friezen naar Rome – de eerste Nederlandse toeristen in de Eeuwige Stad:

Verritus and Malorix ‘…went to Rome, and while they waited for Nero, who was intent on other engagements, among the sights shown to the barbarians they were admitted into Pompey’s theatre, where they might behold the vastness of the Roman people. There at their leisure (for in the entertainment, ignorant as they were, they found no amusement) they asked questions about the crowd on the benches, about the distinctions of classes, who were the knights, where was the Senate, till they observed some persons in a foreign dress on the seats of the senators.
Having asked who they were, when they were told that this honour was granted to envoys from those nations which were distinguished for their bravery and their friendship to Rome, they exclaimed that no men on earth surpassed the Germans in arms or in loyalty. Then they went down and took their seat among the senators. The spectators hailed the act goodnaturedly, as due to the impulsiveness of a primitive people and to an honourable rivalry. Nero gave both of them the Roman franchise, and ordered the Frisii to withdraw from the territory in question. When they disdained obedience, some auxiliary cavalry by a sudden attack made it a necessity for them, capturing or slaughtering those who obstinately resisted.
’*

Reconstructietekening van het Theater van Pompeius in Rome (Foto: Wikimedia)

Reconstructietekening van het Theater van Pompeius in Rome (Foto: Wikimedia)

DE STOUTMOEDIGE FRIEZEN

Verritus en Malorix, ‘stamhoofden’ van de Frisii, waren naar Rome gekomen vanwege een geschil om een stuk grond, dat ze aan de regerende keizer Nero wilden voorleggen. De keizer kon hen niet direct ontvangen en dus moest er wat tijd worden gedood. De scene hierboven beschrijft prachtig hoe de twee Friezen, wanneer ze het Theater van Pompeius in worden geleid, iedereen om hen heen bestookten met vragen over de gebruiken van de Romeinen. Ze konden weinig van de show die aan de gang was genieten, omdat ze, zoals Tacitus het zegt, ‘te dom’ waren om te begrijpen waar het over ging. Ze interesseerden zich veel meer voor het gemêleerde publiek en schrokken toen ze lieden met nogal exotische kledij zagen zitten te midden van respectabele Romeinse senatoren. De gids legde uit hoe gezanten van volken die eerbaar en de Romeinen goed gezind waren, op deze manier werden geëerd. Toen Verritus en Malorix dat hoorden, riepen ze uit dat geen volk moediger en trouwer was dan dat van hen, en ze namen zelf eveneens plaats tussen de senatoren.

Vanwege de stoutmoedigheid die ze in het theater hadden getoond, schonk Nero de twee mannen het Romeinse burgerrecht. De missie zelf was echter niet geslaagd: de keizer weigerde hun claim op het stuk grond waarvoor ze waren gekomen.

* De vertaling is afkomstig uit de Perseus Digital Library (vertaling Alfred John Church, William Jackson Brodribb, Sara Bryant).  

Een geschiedenis van gebroken harten

Vandaag is het Internationale Vrouwendag, een Amerikaanse (socialistische) uitvinding uit 1908 die in het Italië van na de Tweede Wereldoorlog enthousiast werd opgepikt en voortgezet als het Festa della Donna.

La Festa della Donna is in Italië onlosmakelijk verbonden met de mimosa. Traditiegetrouw geven mannen deze gele lentebloem op 8 maart aan hun vrouwen en vriendinnen. De mimosa is symbool gaan staan voor de vrouw zelf: ze zijn zeer kwetsbaar, maar bloeien toch na een koude winter steevast als eerste weer op.

Om te bewijzen dat de mimosa niet voor niets symbool staat voor de vrouw, laat ik vandaag vijf vrouwen uit de Italiaanse geschiedenis de revue passeren, die de mimosa eer aandoen. Die geschiedenis blijkt er vooral een van gebroken harten…

DE LENTE KOMT MET ARIADNE

Angelica Kauffmann, Ariadne verlaten doorTheseus, 1774 (Museum of Fine Arts, Houston)

Angelica Kauffmann, Ariadne verlaten door
Theseus, 1774 (Museum of Fine Arts, Houston)

Hoewel ik hierboven schreef dat Vrouwendag pas sinds 1908 bestaat, vinden we gek genoeg bij de oude Grieken en Romeinen – die toch niet bekend staan om de vrouwenemancipatie – de eerste viering van een feest ter ere van een vrouw rond 8 maart. Om het voorjaar te vieren werden in de oudheid rond deze tijd feesten ter ere van Dionysus, god van de wijn en vruchtbaarheid, gehouden.

Onderdeel van die viering was een verering van Ariadne, door middel van een symbolische herhaling van het huwelijk dat Dionysus met haar sloot. Ariadne was de dochter van koning Minos van Kreta en had eens de held Theseus geholpen uit haar vaders verschrikkelijke labyrint met de monsterlijke Minotaurus te ontsnappen: de slimme vrouw gaf hem een kluwen wol waarmee hij zijn weg terug kon vinden.

Ariadne was hopeloos verliefd en eeuwig dankbaar toen Theseus ongeschonden uit de doolhof kwam en haar mee terug nam naar zijn vaderland. Onderweg terug rustten ze echter uit op het eiland Naxos, waar Ariadne in slaap viel. De ondankbare Theseus ging er snel vandoor, zodat Ariadne met een gebroken hart achterbleef. Precies toen kwam de god Dionysus voorbij. Hij was zo getroffen door Ariadne’s schoonheid dat hij haar tot zijn bruid verkoos. Het huwelijk zou in maart hebben plaatsgevonden en werd dus rond die tijd met feestelijkheden herdacht. Gelukkig voor Ariadne leefde ze met haar god wel ‘nog lang en gelukkig…’

JULIA, DE DOCHTER VAN AUGUSTUS

Het ‘gezicht van Julia’, dat onlangs werd gevonden.

Het ‘gezicht van Julia’, dat onlangs werd gevonden.

‘Dit gezicht heeft precies alle karakteristieken van de illustere personages van de Julisch-Claudische familie.’

Aldus professor Alfonsina Russo Tagliente. Ze onderzoekt en restaureert een beeld dat begin dit jaar werd gevonden in de buurt van het vliegveld van Rome, waar eens een prachtige Romeinse villa stond.
De ‘illustere’ vrouw die Russo Tagliente in gedachten had, was Julia, de dochter van keizer Augustus. Vanaf 2-jarige leeftijd – haar eerste huwelijk – is ze niet meer dan een diplomatieke speelbal van haar vader, die alleenheerschappij over het Romeinse rijk wil.

Ze overleeft 3 echtgenoten en heeft tijdens haar vierde huwelijk een affaire met Jullus, de broer van haar eerste man. Maar de minnaars worden ontmaskerd. Julia en Jullus worden verbannen. Jullus kan niet leven met zijn gebroken hart en pleegt zelfmoord. Julia aanvaardt de straf die haar eigen vader haar oplegt en brengt de rest van haar leven in ballingschap door in het uiterste zuiden van Italië.

JOHANNA, DE VROUWELIJKE PAUS

Publieke bevalling van pausin Johanna. Gravure uit Giovanni Boccacio's De Claris Mulieribus

Publieke bevalling van pausin Johanna. Gravure uit Giovanni Boccacio’s De Claris Mulieribus


Niemand weet of het waar is, maar het gerucht gaat dat er ooit een vrouwelijke paus is geweest…

We zijn in de 9de eeuw; de kleine Johanna verlaat op haar twaalfde haar ouderlijk huis, gehuld in mannenkleren, om in te treden in een klooster. Ze was verliefd geworden op een van de monniken uit het klooster en wilde bij hem zijn. Even konden de twee geliefden binnen de kloostermuren hun gang gaan, maar ‘Johannes’ werd ontdekt en verbannen.

Johanna bleef Johannes, en trok naar Rome. Het was een slimme vrouw die zich al snel in hoge geestelijke en intellectuele kringen begaf. Ze bewoog zich zelfs in pauselijke kringen. Leo IV in 855 stierf, werd ze door de kardinalen die haar voor een man aanzagen, tot paus verkozen. Paus Johannes startte zijn ambtstermijn.

Johanna wist haar vrouwelijke uiterlijkheden lang te verbergen, maar haar vrouwelijk hart kon ze niet verstoppen: ze werd verliefd op haar secretaris. Tijdens een processie in Rome viel ze van haar paard vanwege vreselijke pijnen. Ze bleek zwanger en bracht midden op straat een zoon ter wereld, onder de verbaasde blikken van de toeschouwers. Johanna en haar kind werden gestenigd en er werd snel een nieuwe paus gekozen. De vorige paus werd doodgezwegen: een vrouwelijke paus was er nooit geweest…

Of het verhaal waar is zullen we nooit weten, maar in de dom van Siena was tot aan het einde van de 16de eeuw een beeld van pausin Johanna te zien. Paus Clementius VIII liet het rond die tijd omtoveren tot een buste van paus Zacharias.

EEN PORTRET VAN ELEONORA

Eleonora van Toledo met haar zoon Giovanni de’ Medici, door Agnolo Bronzino, 1544.

Eleonora van Toledo met haar zoon Giovanni de’ Medici, door Agnolo Bronzino, 1544.

Een vrouw die volgens de overlevering overleed ‘aan een gebroken hart’ is Eleonora van Toledo. Het was dezelfde vrouw die het beroemde Palazzo Pitti in Florence opkocht, waardoor het in handen kwam van de familie die toch al steeds meer macht kreeg in de stad: de familie De’ Medici.

Eleonora, hier op haar beroemdste portret te zien, was de mooiste dochter van Don Pedro di Toledo, de oom van koning Karel V, en werd precies daarom tot bruid gekozen door groothertog Cosimo I de’ Medici. Cosimo hield zich veel bezig met ‘marketing’ (zelfrepresentatie om bij het volk geliefd te worden) en liet zichzelf en zijn familie dan ook graag portretteren. Omdat hij onderweg naar zijn invloedrijke positie nogal wat vijanden had gemaakt, kon hij daarvoor niet zomaar iedere kunstenaar kiezen. Nieuwkomer Bronzino, een slagerszoon uit een dorpje verderop, kreeg daarom een kans.

Bronzino werd hofschilder en maakte een prachtig staatsieportret van Eleonora toen ze 23 was, samen met haar zoontje Giovanni. Dankzij de vele kopieën die in omloop waren kreeg het schilderij in heel Toscane bekendheid. Of Eleonora zichzelf, 27 jaar en elf kinderen later, nog zou herkennen in dat portret, is de vraag. De hertogin van Toscane, dochter van de onderkoning van Napels, was door alle zwangerschappen en bevallingen letterlijk en figuurlijk opgebrand.

In 1562 blies ze onderweg naar Pisa, met diezelfde Giovanni aan haar zijde, haar laatste adem uit. Ze stierven tegelijk, Giovanni was nog maar 19 jaar oud. Het verhaal ging de wereld in dat Giovanni door zijn jongere broer was vermoord, en dat moeder Eleonora een paar dagen later overleed aan een gebroken hart. Het bleek een fabeltje toen de graftombe van Eleonora in 2004 werd geopend voor onderzoek. Er was geen sprake geweest van een gewelddadige dood – moeder en zoon waren geveld door een combinatie van malaria en tbc. Uit botonderzoek bleek ook dat Eleonora veel pijn moet hebben geleden door een ernstig gebrek aan calcium – gevolg van de vele kinderen die ze gedragen heeft.

LA LOREN

Loren 

We eindigen met een vrouw wiens kracht en schoonheid voor zich spreken. Haar persoonlijkheid, een ode aan de Italiaanse vrouw en vrouwen overal ter wereld, wordt door haarzelf prachtig samengevat:

Loren

*

Dit artikel is een uitgebreide versie van een lezing die ik samen met Saskia Balmaekers geef tijdens de open avond die ItaliaItalia en het Istituto Italiano di Cultura in Amsterdam organiseren ter gelegenheid van La Festa della Donna. 

*

Het conclaaf van 1458

Benedictus XVI is weg, het conclaaf kan beginnen. Hoe het nu zit met die witte en zwarte rook, dat is iedereen inmiddels wel duidelijk. Maar wat er zich nu echt achter de muren van het Vaticaan afspeelt tijdens een conclaaf, dat zal geen buitenstaander ooit te weten komen. Toch?

Piccolomini in de dom van Siena

Piccolomini in de dom van Siena, fresco uit 1502-1507

Toch wel. Althans, als we naar het verleden kijken. Er is een paus geweest die tijdens het hele gebeuren rond zijn verkiezing een dagboek bijhield, dat alle eeuwen die ons van hem scheiden heeft weten te overleven. Hij heette Enea Silvio (of: Aeneas Silvius) Piccolomini, en hij werd geboren in het jaar 1405. Zijn ouderlijk gezin was groot en leefde in armoede, zodat Piccolomini in zijn jeugd niet naar school kon gaan maar op het land moest werken. Al snel merkten enkele familieleden echter op dat deze jongeman intelligenter was dan al zijn broertjes en zusjes. Ze namen hem mee en zorgden ervoor dat hij op 20-jarige leeftijd naar de universiteit kon. Hij bestudeerde de klassieken en daarna rechten; hij ambieerde een politieke carrière maar schreef in zijn vrije uren graag proza en poëzie, vaak van erotische aard.

DAGBOEK VAN EEN PAUS
Uiteindelijk draaide het voor Piccolomini uit op een geestelijke carrière van de hoogste orde. Hij liet zich in 1446 tot priester wijden. Dit betekende wel dat hij enkele van zijn lievelingsbezigheden, waaronder af en toe een glaasje drinken en liefdespoëzie schrijven, zou moeten opgeven. Het werd allemaal echter oogluikend toegestaan en Piccolomini schopte het zelfs tot bisschop van Siena en later tot kardinaal. In 1458 nam hij deel aan de pausverkiezingen. Het zou, dankzij Piccolomini en zijn dagboek (bekend geworden als zijn autobiografie Commentarii rerum memorabilium que temporibus suis contigerunt), een conclaaf worden waar een ongekend groot aantal mensen van mee kon genieten.

DE FRANSE SABOTEUR
Piccolomini was zeker niet de gedoodverfde nieuwe paus; er waren andere kardinalen die over veel betere papieren beschikten. De kardinaal van Rouen, bijvoorbeeld. Tijdens een van de vele vergaderingen voorafgaand aan de verkiezing zou deze man ten overstaande van alle kardinalen hebben geschreeuwd dat de onbekende en onbeduidende Piccolomini, schrijver van schandelijke geschriften, toch zeker het pausschap niet waardig was! De Franse kardinaal deed met deze manoeuvre duidelijk een poging stemmen voor zich te winnen ten kosten van Piccolomini.

Aanvang van het conclaaf van 2005. Foto: RKK

Aanvang van het conclaaf van 2005. Foto: RKK

Toch genoot Piccolomini voldoende steun om zijn rivaal bij de eerste stemming te verslaan. Maar tot een definitieve, unanieme uitslag was het nog niet gekomen. De discussie die volgde wordt eveneens beschreven door Piccolomini:
‘Allen zaten in hun zetels, zwijgend en bleek en verbijsterd, als in extase. (…) Zo bleven ze geruime tijd zitten, terwijl zij die lager waren wachtten op de hogeren in rang om een begin te maken met de accessus. Toen stond Rodrigo, de vicekanselier, op en zei: ‘Ik schaar mij achter de verkiezing van kardinaal Enea.’ Dit woord trof als een zwaard het hart van de kardinaal van Rouen, zo doodsbleek werd de man. Er viel een diep stilte, de een keek de ander aan en gaf met een hoofdknik blijk van zijn gevoelens. Men scheen al bijna Enea als paus te zien. Hiervoor bevreesd liepen sommigen naar buiten, om te ontkomen aan wat het lot voor die dag bestemd had. Dat waren de kardinaal van Kiev en die van San Sisto, die zich vanwege lichamelijke behoeften excuseerden. Maar omdat niemand hen volgde, kwamen zij weldra terug. Toen zei Jacopo, kardinaal van Sant’Anastasia: ‘Ook ik sluit mij aan bij de verkiezing van de kardinaal van Siena.’

Er was op een bepaald moment nog maar één stem nodig om Piccolomini tot paus te kunnen kronen. De Franse kardinaal was tot wanhoop gedreven: precies toen de volgende kardinaal wilde spreken om zijn stem kenbaar te maken, probeerde hij hem met geweld tegen te houden. Natuurlijk was dat tevergeefs: Piccolomini zou, zo werd besloten in het conclaaf, de nieuwe paus worden. Pius II, liet hij zich voortaan noemen en hij zou als renaissancepaus een enorme stempel op de geschiedenis drukken.

 

MEER LEZEN?

Piccolomini

Enea Silvio Piccolomini – Pius II (1405-1464)
een humanistisch paus op de bres voor Europa
Zweder von Martels & Michel Goldsteen
Uitgeverij Verloren
ISBN 9789087041861
€ 52

In het kort:
De brieven en Gedenkschriften van Aeneas Silvius Piccolomini behoren tot de meest aansprekende voorbeelden van de vroege Latijnse renaissanceliteratuur. Mede dankzij zijn welsprekendheid belandde de humanist, als Pius II, op de pauselijke troon. Na de val van Constantinopel (1454) ontwikkelde Enea zich tot de belangrijkste voorvechter van een kruistocht tegen de Turken, die het christelijke Europa bedreigden. Hiermee wilde hij ook de Europese cultuur verdedigen, voortgekomen uit de bronnen van de Griekse en Latijnse literatuur. Enea’s brieven vertellen over zijn turbulente ontwikkeling rond het midden van zijn leven en over zijn kerkelijke carrière. Zijn gedenkschriften beschrijven de politieke verwikkelingen rond zijn besluit een kruistocht te leiden en verhalen van de stichting van het naar hem vernoemde Pienza. De inleidende hoofdstukken en de samenvattingen van niet vertaalde passages uit de Gedenkschriften zijn van Zweder von Martels, de vertalingen en de inleidingen bij de brieven van Michel Goldsteen.

 

Een tweeduizend jaar oude winkelstraat

Carnaval in de Via del Corso, gravure uit 1836

Carnaval in de Via del Corso, gravure uit 1836

In Rome liggen de verhalen uit het verleden letterlijk op straat. Aan de hand van straatnamen die je op de bordjes – sinds 1814 van marmer dankzij paus Pius VII – kunt lezen, wandel je de geschiedenis van de eeuwige stad letterlijk achterna. Vrijwel iedere via, vicus of viale is namelijk vernoemd naar een persoon of gebeurtenis die het leven van de stad Rome op de een of andere manier getekend heeft…

WINKELEN
Iedereen die in Rome is loopt er onvermijdelijk een paar keer doorheen: de Via del Corso. Het is de langste winkelstraat in het oude centrum en doorkruist bovendien dat deel van de stad waar ook grote toeristische trekpleisters als de Trevifontein, de Spaanse Trappen en het Pantheon te vinden zijn. Hoewel de kaarsrechte straat, die het imposante witte monument voor Victor Emanuel verbindt met het prachtige Piazza del Popolo 1,5 kilometer noordwaarts, er niet zo oud uitziet als sommige andere delen van de stad, gaat de geschiedenis ervan wel degelijk helemaal terug tot in de Romeinse tijd.

OVERSTROMINGEN
Een van de belangrijkste uitvalswegen van het oude Rome was de Via Flaminia (anno 220 v.Chr.). Het rechtlijnige traject van de huidige Via del Corso loopt gelijk met het deel van de Via Flaminia dat door de stad liep. De weg raakte na de val van het Romeinse rijk niet buiten gebruik, maar werd overgenomen door de middeleeuwse inwoners van de Rome. Zij gaven de straat de naam Via Lata, oftewel ‘de brede weg’. In diezelfde Middeleeuwen zou men echter uiteindelijk verkiezen de straat links te laten liggen en zich een hoger gelegen weg te banen naar de noordelijke grens van de stad, door de huidige Via Biberatica die van Trajanus’ forum in de richting van Piazza San Silvestro liep en daarna alsnog uitkwam op de Via Flaminia. Men zocht het ‘hogerop’ omdat de inwoners van Rome werden geteisterd door de veelvoorkomende overstromingen van de rivier de Tiber.

Via del Corso, gezien vanaf Piazza Venezia

Via del Corso, gezien vanaf Piazza Venezia

VENETIE IN ROME
Paus Paulus II (1464-1471) vond de omweg maar niets en liet de straat in 1467 opknappen, zodat het voor het grootste deel weer exact gelijk liep met de oude Via Flaminia. De paus toonde zich een waar bouwmeester in dit centrale deel van de stad: aan het begin van de straat liet hij een paleis voor zichzelf bouwen: Palazzo Venezia, dat zijn naam ontleent aan de Venetiaanse oorsprong van de paus.
In Venetië was het al langer gebruikelijk om volkse feesten als carnaval in het centrum van de stad te vieren. Paulus verhuisde de viering van het jaarlijkse carnavalsfeest daarom naar zijn nieuwe paradepaardje in het hart van Rome. Dat feest werd door de Romeinen voorheen altijd uitbundig gevierd op de Monte Testaccio (Schervenberg), buiten het centrum.

FEESTRACE
Het meest spectaculaire onderdeel van het carnavalsfeest waren de races (corse) die werden gehouden op Vastenavond. De paardenraces werden de Corse dei Bàrberi genoemd, naar de het Noord-Afrikaanse paardenras de berbero. De opgefokte, wilde paarden denderden zonder ruiter door de huidige Via del Corso, ongeveer vanaf de (nu verdwenen) Boog van Portugal ter hoogte van de Via della Vite tot aan het huidige Piazza Venezia. De genoemde Boog van Portugal werd door paus Alexander VII in de 17e eeuw afgebroken om meer ruimte te bieden aan de mateloos populaire paardenraces. Het volkse festijn mocht enkele eeuwen voortduren, totdat er tijdens de race van het jaar 1883 een dodelijk ongeval plaatsvond.

De wedstrijd werd voortaan verboden, maar de straatnaam Via del Corso, de ‘Straat van de Paardenrace’ zou nog even standhouden. De eerste verandering kwam na de dood van koning Umberto I in het jaar 1900 – de naam van de straat werd toen officieel aangepast naar Corso Umberto I. In 1944 werd het even Corso del Popolo, maar twee jaar later kwam de naam Via del Corso weer terug. Zo blijft de straat tot op de dag van vandaag herinneren aan de corse, de spectaculaire paardenraces die hier eeuwenlang het volk van Rome vermaakten.

‘Met tierende lippen, onopgesmukt en ongeparfumeerd’

Ze inspireerde talloze kunstenaars door de eeuwen heen, en bracht Michelangelo er zelfs toe om haar groots en in vijfvoud af te beelden op zijn meesterwerk: het plafond van de Sixtijnse kapel in Rome. Toch is ze tegenwoordig niet erg bekend bij het grote publiek. De vrouw waar we het over hebben heet Sibille, en werd door de Griekse wijsgeer Heraclitus (ca. 540-480 v.Chr.) als volgt omschreven: ‘De Sibille, met haar tierende lippen vreugdeloze dingen uitend, onopgesmukt en ongeparfumeerd, bestrijkt met haar stem meer dan duizend jaren, dankzij de god in haar.’

 

De Sibille van Delphi door Michelangelo, Sixtijnse Kapel

De Sibille van Delphi door Michelangelo, Sixtijnse Kapel

 

GEHEIMZINNIGE TEKSTEN
Wanneer Romeinse auteurs over haar spreken hebben ze het meestal over Sibille van Cumae en haar Libri Sibillini (Sibillijnse Boeken), een verzameling geheimzinnige orakelspreuken die veilig werden bewaard in de tempel van Jupiter in Rome. In noodsituaties of bij zeer gewichtige zaken werden de boeken, vanaf de republikeinse tijd (ca. 5e-1e eeuw v.Chr.) tot ver in de keizertijd (de eerste eeuwen n.Chr.), geraadpleegd en de profetische (in het Grieks opgestelde) uitspraken geduid. Daartoe was enkel een speciaal team van beheerders en interpretatoren gemachtigd. De oude orakels waren zo geheimzinnig en invloedrijk, dat er een verhalengoed ontstond rondom de oorsprong ervan.

DRIEMAAL DRIE
Een van de eerste koningen van Rome, Tarquinius Priscus (of Superbus, daar zijn de oude Romeinse auteurs niet eenduidig over), had vernomen van de verzameling zeer betrouwbare orakelspreuken van de bekende waarzegster Sibille van Cumae, Libri Sibillini. Wie de toekomst kan voorspellen kan oppermachtig worden, dacht hij, en hij zette zijn zinnen op de aankoop van de spreuken. Maar Tarquinius was eveneens een gewiekst zakenman: hij weigerde de door Sibille gevraagde prijs te betalen. Daarop reageerde Sibille door drie boeken te verbranden, waarna ze exact hetzelfde aanbod herhaalde. Tarquinius begon te wankelen, maar weigerde toe te geven – en weer gingen er drie boeken in vlammen op. Verslagen ging Tarquinius, die het belang van de boeken inzag, alsnog door de knieën; voor de laatste drie boeken betaald hij dezelfde prijs die was geboden voor de hele stapel.

De 3 boeken die uiteindelijk in handen van de Romeinse staat kwamen, werden bewaard en bewaakt in de belangrijkste tempel van Rome. Het verhaal van Tarquinius draagt natuurlijk bij aan de perceptie van de waarde van de orakels, maar is grotendeels legendarisch – de geheimzinnige teksten van Sibille stammen vermoedelijk uit Klein-Azie, waar ze door een zekere Sibille van Erythrai zouden zijn geschreven.

 

De Sibille van Erythrae door Michelangelo, Sixtijnse Kapel

De Sibille van Erythrae door Michelangelo, Sixtijnse Kapel

 

DE SIBILLEN
Nog een Sibille, dus. Er is in en na de oudheid nogal wat verwarring geweest over de vrouw Sibille, voornamelijk vanwege haar diverse manifestaties op meerdere plekken. In de loop der jaren is men vanzelf gaan spreken van ‘de Sibillen’ als een groep vrouwelijke, heidense profeten. Zij ontvingen boodschappen van goden (vaak van Apollo), en wanneer ze in trance raakten, spraken ze Griekse teksten uit die in hexameters werden opgetekend. Meestal werden de waarzegsters voorgesteld als oudere, nomadische vrouwen.

Sibillen werden over het algemeen vernoemd naar de plaatsen waar ze actief waren. Volgens de Romeinse auteur Varro Reatinus (116-27 v.Chr.) waren er in elk geval tien: de Sibille van Perzië, van Libië, van Delphi, van Cimmeria, van Erythrae, van Samos, van Cumae, van de Hellespont, van Frygië en van Tibur. In de christelijke traditie werden deze vrouwen in de loop der eeuwen steeds vaker beschouwd als de heidense equivalenten van Israëls profeten.

ORAKEL IN EEN FLESJE
In Rome en Italië bleef Sibille van Cumae het meeste bekendheid genieten. Over haar ging later echter het verhaal de ronde, dat ze naarmate ze ouder ook steeds kleiner werd. Rond het jaar nul zou ze in een klein flesje hebben gepast – een Romeinse variant van de geest in de fles. Inmiddels is er dus, zowel fysiek als in naam, weinig meer van haar over. Wie naar het plafond van de Sixtijnse Kapel tuurt beseft echter dat de oude waarzegster tot in de Renaissance nog een rol van betekenis moet hebben gespeeld.

 

Vergeet rozen en chocolade: dit is het echte Valentijn

14 februari staat al sinds paus Gelasius I deze dag in het jaar 496 aan de heilige wijdde, in het teken van Sint Valentijn. Precies rond deze dagen vierde men echter in het oude Rome al veel langer feest. Het was een feest van een andere orde, dat volgens de overlevering al werd gevierd zo lang als de stad zelf bestond. Met bloed, geofferde honden en door de straten rennende priesters. Kortom, met alle primitieve, vreemde rituelen die daar traditiegetrouw bij hoorden. We hebben het over het oude Romeinse ‘Valentijn’: de Lupercalia.

Een 16e-eeuwse tekening van de Lupercalia in Rome.

Een 16e-eeuwse tekening van de Lupercalia in Rome.

 

VRUCHTBAARHEID VIEREN
Het festival van de Lupercalia behoorde tot een van de meest antieke feesten die men in Rome kende en was gewijd aan Lupercus, god van de vruchtbaarheid. Wat we ervan weten, is ons overgeleverd via de verhalen van schrijvers als Plutarchus, Varro, Valerius Maxiumus, Ovidius en Suetonius. Volgens Plutarchus moeten we aannemen dat het festival van oorsprong een herdersfeest was. Dat zou best weleens kunnen kloppen, want bij de festiviteiten in Rome waren de twee opperkoningen der herders betrokken: de broers Romulus en Remus, stichters van de stad.

EEN WILD FEESTJE
De centrale plaats van het feest was de Lupercal, de heilige plek aan de voet van de Palatijnse heuvel in Rome, waar Romulus en Remus volgens de overlevering gezoogd zouden zijn door de wolvin. Speciale priesters (Luperci), zo vertelt onder anderen Ovidius ons, verzamelden zich daar rond het altaar en maakten zich op voor het offeren aan de vruchtbaarheidsgod. Die offers bestonden uit geiten en nog jonge honden. Plutarchus geeft ons nog meer details: twee jongemannen werden de Lupercal ingeleid, waar ze door een van de Luperci op het voorhoofd werden aangeraakt met het bebloede offermes. Een andere priester gebruikte daarna in melk gedoopte wol om de hoofden schoon te vegen. Vreemd genoeg was het daarna de beurt aan de twee jongemannen om, bij wijze van ritueel, in een hard gelach uit te barsten. Uiteindelijk was er natuurlijk ook een afsluitende offermaaltijd.
Naar alle waarschijnlijkheid was het hele gebeuren een symbolisch reinigingsritueel van de herders, gerepresenteerd door de twee nobele jongemannen. Dat ritueel kreeg ook na de maaltijd nog een vervolg, wanneer de priesters zichzelf deels bedekten met de gevelde huid van de zojuist geofferde geiten. Half naakt en half bedekt in geitenhuid (zoals ook Lupercus zelf altijd werd weergegeven) en met strengen huid in de hand, trokken ze de stad in. Onderweg raakte ze iedereen – vooral vrouwen – met de geitenhuid aan, een ceremonie die vruchtbaarheid zou moeten verspreiden in de straten van Rome. Het idee bestaat dat men oorspronkelijk op deze manier de kuddes vruchtbaarheid toewenste, toen de Lupercalia nog simpele herdersfeesten waren.

Romulus en Remus gezoogd door de wolvin, Peter Paul Rubens (1614-1616)

Romulus en Remus gezoogd door de wolvin, Peter Paul Rubens (1614-1616)

 
LUPERCALIA, VALENTIJN?
Hoewel de oorspronkelijke symbolische waarde en betekenis van het feest van de Lupercalia waarschijnlijk in de loop der eeuwen wel wat verloren ging, bleef men op deze dagen in februari de herinnering aan Romulus en Remus vieren. Suetonius vermeldt dat keizer Augustus nog een nieuwe impuls gaf aan de festiviteiten tijdens zijn bewind. Sindsdien bleef het een zekere populariteit genieten en verspreidde de viering zich zelfs naar plaatsen in heel het rijk. Van een link met ‘onze’ viering van Valentijn op ongeveer dezelfde dag in februari is echter geen enkele sprake.

 

MEER LEZEN?
Op de website Lacus Curtius en die van de Pagan Library vind je meer informatie over het festival van de Lupercalia (Engels). Daarnaast kun je zelf enkele oude Romeinse bronnen (online) raadplegen, zoals Plutarchus’ Parallelle Levens en Ovidius’ Fasti.

Nominaties

Orpheus kijkt om werd in 2012 genomineerd voor een Travvies Award en voor de Geschiedenis Online Prijs.

Laatste tweets

Op de hoogte blijven? Laat je mailadres achter en ontvang de nieuwsbrief!

Join 868 other followers

Onlangs besproken:

Verjaardag